ECLI:NL:RBDHA:2026:6312
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel bewaring en non-refoulement bij uitzetting asielzoeker
De rechtbank Den Haag heeft op 18 maart 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd aan een asielzoeker van Gambiaanse nationaliteit. De minister van Asiel en Migratie had de bewaring opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en deze maatregel werd verlengd. Eiser stelde dat het beginsel van non-refoulement niet voldoende was gemotiveerd in het verlengingsbesluit en dat hij vanwege zijn seksuele gerichtheid gevaar liep bij terugkeer naar Gambia.
De rechtbank stelde vast dat het verlengingsbesluit de grondslag vormt voor de bewaring en dat dit besluit rechtmatig is bevonden in eerdere uitspraken, waaronder een ambtshalve toets in het licht van het arrest Adrar. De rechtbank zag geen reden om de rechtskracht van deze eerdere uitspraak te doorbreken. Eiser had eerder twee asielaanvragen gedaan waarin zijn seksuele gerichtheid en het daaraan verbonden risico niet geloofwaardig werden geacht. De rechtbank vond de huidige toelichting onvoldoende concreet om te concluderen dat er een reëel risico bestaat op verboden behandelingen zoals bedoeld in het EU-Handvest.
De rechtbank oordeelde dat het voortduren van de bewaring niet onrechtmatig is en wees het beroep ongegrond. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter H.W.H. Oude Aarninkhof en is onherroepelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.