Eisers hebben op 11 september 2024 een aanvraag ingediend voor een tijdelijke omgevingsvergunning voor het gebruik van een koelcel op een perceel in Den Haag. Het college van burgemeester en wethouders heeft deze aanvraag op 20 november 2024 afgewezen omdat de koelcel te dicht bij de bedrijfswoning staat en daarmee in strijd is met het omgevingsplan. Eisers maakten bezwaar, maar het college handhaafde het besluit op 14 april 2025. Vervolgens is beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank toetst het besluit aan het omgevingsplan, dat sinds 1 januari 2024 van kracht is en waarin het bestemmingsplan van vóór die datum is opgenomen. Volgens artikel 3.2.1 van het plan geldt een minimale afstand van 12,5 meter tussen bedrijfsgebouwen en woningen, terwijl de koelcel slechts 2,6 meter van de bedrijfswoning staat. Eisers stelden dat afwijking mogelijk is op grond van artikel 3.3.1, mits sprake is van een efficiënte en logistiek verantwoorde inrichting. De rechtbank volgt het college dat dit niet het geval is, omdat het perceel vrijwel geheel verhard is en nauwelijks functioneel voorterrein heeft.
Daarnaast voerden eisers aan dat de vergunning buitenplans verleend had kunnen worden. De rechtbank oordeelt dat het college in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat de omgevingsvergunning geweigerd mocht worden vanwege het ontbreken van een evenwichtige toedeling van functies, de negatieve invloed op het woon- en leefklimaat en de verkeersveiligheid. De stellingen van eisers over het ontbreken van geluidsoverlast en veiligheid zijn onvoldoende onderbouwd. Ook het feit dat de koelcel al langere tijd aanwezig is en er geen klachten zijn, weegt niet mee in de beoordeling.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af. De uitspraak is gedaan door rechter D. Overdijk op 12 maart 2026.