ECLI:NL:RBDHA:2026:634

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
NL25.12882
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsdocument EU/EER op basis van onvoldoende bewijs van afhankelijkheidsrelatie

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 12 januari 2026 uitspraak gedaan in een beroep tegen de afwijzing van een aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER door de minister van Asiel en Migratie. De eiser, een Surinaamse man geboren in 1989, had op 14 februari 2024 verzocht om een verblijfsdocument om bij zijn referente te kunnen verblijven. De aanvraag werd op 9 december 2024 afgewezen, en het bezwaar daartegen werd op 25 februari 2025 kennelijk ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep op 12 december 2025 behandeld, waarbij de eiser zich liet vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, terwijl de verweerder niet verscheen.

De rechtbank oordeelde dat de eiser niet voldoende objectieve en verifieerbare stukken had overgelegd om aan te tonen dat er sprake was van een familierechtelijke relatie met de referente, noch dat er een uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie bestond zoals vereist onder artikel 20 van het VWEU. De rechtbank concludeerde dat de afwijzing van de aanvraag terecht was, omdat de eiser niet had aangetoond dat hij en de referente feitelijk niet van elkaar konden worden gescheiden. De rechtbank verwierp ook de argumenten van de eiser over schending van de hoorplicht en onvoldoende motivering van het besluit, en oordeelde dat de verweerder terecht had afgezien van het horen van de eiser in bezwaar.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wat betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. De uitspraak benadrukt het belang van objectieve bewijsstukken in zaken die betrekking hebben op verblijfsrechten en de strikte eisen die worden gesteld aan de bewijsvoering van afhankelijkheidsrelaties.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12882

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R. Dhalganjansing),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Stojanovic).

Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER [1] afgewezen.
Bij besluit van 25 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gerichte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 12 december 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is, met bericht vooraf, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [datum] 1989 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Hij heeft op 14 februari 2024 verzocht om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER voor verblijf bij [referente] .
2. Verweerder heeft de afwijzing van de afgifte van een verblijfsdocument EU/EER bij het bestreden besluit gehandhaafd om de volgende redenen. Eiser heeft niet met objectieve, verifieerbare stukken aangetoond dat sprake is van een familierechtelijke relatie met referente. Evenmin is met stukken onderbouwd dat tussen hen, beiden meerderjarig, een uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie bestaat als bedoeld in het arrest K.A., [2] zodat een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van de VWEU [3] niet aan de orde is. Eiser heeft, ondanks de eerder aangekondigde psychologische rapportages, niet met objectieve en verifieerbare documenten aangetoond dat referente medische problemen heeft die een bijzondere afhankelijkheid van uitsluitend eiser meebrengen of dat hij op geen enkele wijze van referente kan worden gescheiden. De verwijzingen naar Unierechtelijke jurisprudentie en het EVRM [4] zijn algemeen en niet toegespitst op zijn situatie. Verweerder heeft verder ambtshalve aan artikel 8 van het EVRM getoetst en geconcludeerd dat uitzetting niet in strijd is met zijn recht op familie- en privéleven. Voor zover eiser heeft gewezen op artikel 3 van het EVRM en artikel 64 van de Vw valt dit buiten het beoordelingskader van de aanvraag en ontbreekt medische onderbouwing. De SIS [5] -signalering is verder rechtmatig als gevolg van het in stand laten van het terugkeerbesluit. Tot slot heeft verweerder geen aanleiding gezien om eiser op zijn bezwaren te horen nu er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel bestond dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit zouden leiden.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd is. Verweerder heeft niet alle relevante feiten betrokken (eiser wijst hierbij op zijn verblijfsverleden in Nederland) bij de beoordeling van een mogelijk afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU in de zin van het arrest K.A., terwijl het declaratoire karakter van Unierechtelijk verblijf meebrengt dat nationale procesregels de nuttige werking daarvan niet mogen uithollen. De nationale rechter dient als gemeenschapsrechter actief onderzoek te doen naar de vraag of eiser aanspraak maakt op voortgezet verblijf op grond van het unierecht. Ten onrechte is geen gelegenheid geboden tot herstel van verzuim als bedoeld in artikel 4:5 van de Awb, [6] is geen onafhankelijk medisch deskundigenadvies ingewonnen over de gestelde psychische problemen en afhankelijkheidsrelatie, en is in strijd met de hoorplicht van horen afgezien. Dit is ook in strijd met artikel 2:4 van de Awb en met het discriminatieverbod van artikel 18 van het VWEU. Hij beroept zich daarnaast op artikel 7 van het Handvest [7] en artikel 8 van het EVRM, op artikel 31 VCLT [8] , op de door hem aangehaalde jurisprudentie en op het Guidance rapport van de Europese Commissie van 2014 en 2023. Volgens eiser dienen verdragsbepalingen te goeder trouw te worden uitgelegd en is systematisch onjuist toepassing gegeven aan artikel 20 van het VWEU, aangezien nationale rechters in de periode van 8 maart 2011 tot 10 mei 2017 onjuiste invulling hebben gegeven aan dit artikel. Daarnaast levert terugkeer strijd op met artikel 3 van het EVRM en dient toepassing gegeven te worden aan artikel 64 van de Vw. Verder behoort hij als verwesterde vreemdeling, die nakomeling is van ex-Nederlanders, bescherming te krijgen en verwijst in dit kader naar het arrest Jeunesse. [9] Tot slot is de SIS-signalering onrechtmatig en maakt de Staat onbeperkt en selectief gebruik van privégegevens.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Artikel 20 van het VWEU
4. Een derdelander kan een afgeleid verblijfsrecht aan artikel 20 van het VWEU ontlenen als sprake is van een uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie met een Unieburger in die zin dat zij feitelijk niet van elkaar kunnen worden gescheiden. Uit het arrest K.A. volgt dat dit bij twee meerderjarige familieleden slechts in zeer uitzonderlijke gevallen aan de orde is. Het is aan eiser om die afhankelijkheid met objectieve en verifieerbare stukken aannemelijk te maken. De Afdeling [10] heeft bevestigd dat verweerder de door eiser in de bestuurlijke fase aangevoerde feiten en omstandigheden moet beoordelen en dat de rechter de uitkomst daarvan vol toetst. [11]
5. Eiser heeft niet met objectieve stukken aangetoond dat sprake is van een familierechtelijke relatie tussen hem en referente. Daarmee is al niet voldaan aan de drempel om onder de reikwijdte van het arrest K.A. te vallen. Daarnaast ontbreken objectieve en verifieerbare stukken die wijzen op de uitzonderlijke afhankelijkheid die artikel 20 van het VWEU vereist. Eiser heeft geen medische of andere documenten overgelegd waaruit blijkt dat referente zonder zijn aanwezigheid niet zelfstandig kan functioneren of dat scheiding ertoe leidt dat de Unieburger het grondgebied van de Unie zou moeten verlaten. De ingebrachte verklaring van referente is zonder onderliggende objectieve onderbouwing, onvoldoende. Uit de in bezwaar overgelegde verklaring van referente blijkt juist dat zij eiser financieel steunt.
6. Gelet op het ontbreken van onderbouwing van zowel de familieband als van de gestelde uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie heeft verweerder de aanvraag op grond van artikel 20 van het VWEU terecht afgewezen. Het beroep op het arrest K.A. slaagt daarom ook niet. Er bestaat ook geen redelijke twijfel over de uitleg van artikel 20 van het VWEU en het arrest K.A., zodat geen aanleiding bestaat voor de rechtbank voor het stellen van prejudiciële vragen. De rechtbank toetst verder het Unierecht ambtshalve waar dat aan de orde is. De feitenlast berust echter primair bij eiser. Eiser heeft niet concreet gemaakt welke bij de Staat aanwezige gegevens relevant zouden zijn voor de beoordeling door de rechtbank en tot een andere uitkomst kunnen leiden. De stelling dat in het verleden verkeerde toepassing is gegeven aan het Unierecht, leidt niet tot een geslaagd beroep aangezien alleen kan worden geoordeeld over een individuele zaak en de daarin aangevoerde feiten en omstandigheden. Bovendien wordt niet nader onderbouwd dat bij de uitleg van artikel 20 van het VWEU is gehandeld in strijd met de goede trouw.
Artikel 8 van het EVRM en artikel 7 van het Handvest
7. Uit artikel 52, derde lid, van het Handvest volgt dat artikel 7 van het Handvest overeenkomt met artikel 8 van het EVRM. De inhoud en de reikwijdte sluiten op elkaar aan. [12]
8. Tussen meerderjarige familieleden is voor gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM vereist dat sprake is van bijkomende afhankelijkheid. Eiser dient dat echter met objectieve en verifieerbare stukken te onderbouwen. Dergelijke stukken zijn niet door eiser overgelegd. Zoals reeds overwogen in r.o. 6 en 7, heeft eiser geen bijzondere afhankelijkheidsrelatie met referente aannemelijk gemaakt. Zonder die bijkomende afhankelijkheid is geen gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM gegeven.
9. Ook het beroep van eiser op het arrest Jeunesse leidt niet tot een ander oordeel. Het arrest Jeunesse ziet namelijk op de belangenafweging binnen artikel 8 van het EVRM in een zaak met langdurig verblijf met minderjarige kinderen. Dat kader komt pas aan bod als eerst het gezinsleven is vastgesteld en sprake is van inmenging. In huidige zaak is geen gezinsleven tussen meerderjarigen vastgesteld. Zelfs als van gezinsleven zou worden uitgegaan, biedt het dossier geen aanknopingspunten voor een andere uitkomst. De verblijfsduur van eiser in Nederland is kort en de gestelde bijzondere binding met Nederland is niet met stukken onderbouwd. Voor zover eiser zich beroept op zijn privéleven wordt verwezen naar het voormelde. Eiser heeft niet onderbouwd dat zijn privéleven zodanig in Nederland is geworteld dat toepassing dient te worden gegeven aan artikel 8 van het EVRM.
10. Bovendien heeft het arrest Jeunesse betrekking op reguliere gezinsmigratie en ging het om de vraag of in uitzonderlijke omstandigheden van het mvv [13] -vereiste moest worden afgeweken. In deze EU-rechtelijke procedure geldt geen mvv-vereiste. Het beroep op het arrest Jeunesse en het verzoek om vrijgesteld te worden van de mvv-vereiste treft daarom geen doel.
11. Ook het beroep op artikel 3 van het EVRM vanwege de gestelde verwestering en de verwijzing naar het arrest K. en L. [14] slaagt niet, reeds nu eiser zijn stellingen dat hij is verwesterd geenszins heeft onderbouwd. Daarnaast ziet het arrest K. en L. op het beleid over verwestering binnen de beoordeling van asielaanvragen. Eiser heeft een aanvraag binnen het EU-rechtelijk kader ingediend. Gelet op de waterscheiding tussen reguliere en asielvergunningen kan een beroep op dit arrest niet slagen.
12. Voor zover eiser stelt dat artikel 64 van de Vw dient te worden toegepast, geldt dat de beoordeling van reisongeschiktheid of noodzakelijke behandeling plaatsvindt in de daartoe bestemde procedure. Eiser heeft in de huidige beroepsprocedure geen medische documenten overgelegd die zijn stellingen onderbouwen. Voor zover eiser artikel 3 van het EVRM hieraan koppelt, vergt dat eveneens medische onderbouwing ontbreekt.
Hoorplicht in bezwaar
13. Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Awb stelt het bestuursorgaan belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord alvorens op het bezwaar wordt beslist. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. De Afdeling heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van het bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. [15]
14. Gelet op de motivering van het primaire besluit en op hetgeen eiser daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, is aan die maatstaf voldaan. Verweerder heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom is afgezien van horen. Eiser heeft geen objectieve en verifieerbare stukken overgelegd waaruit een gezinsband of bijzondere afhankelijkheid volgt. Verder heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt welke inspanningen zijn verricht om de aangekondigde rapportages te verkrijgen en evenmin geconcretiseerd wat hij tijdens een hoorzitting naar voren zou brengen dat tot een andere uitkomst had kunnen leiden. Verweerder heeft het bezwaar kennelijk ongegrond kunnen verklaren en heeft kunnen afzien van het horen van eiser.
15. De rechtbank volgt verder de stelling van eiser dat verweerder op grond van artikel 41 van het Handvest altijd moet horen, niet. Artikel 41 van het Handvest ziet namelijk op het recht op behoorlijk bestuur door de instellingen, organen en instanties van de Europese Unie en richt zich niet direct tot de lidstaten. [16]
Zorgvuldige besluitvorming en motiveringsplicht
16. Niet is gebleken dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Ook is de rechtbank niet gebleken van vooringenomenheid, discriminatie en een bewuste schending van artikel 3:2 van de Awb. Bovendien heeft eiser zijn stellingen op geen enkele wijze nader onderbouwd. Verweerder heeft alle relevante feiten en omstandigheden beoordeeld binnen het toepasselijk kader en is ingegaan op de in bezwaar aangevoerde stellingen. Eiser heeft nagelaten te motiveren welke relevante feiten en omstandigheden niet zijn meegewogen of waaruit blijkt dat onvoldoende gereageerd is op het bezwaarschrift. Daarmee is voldaan aan de onderzoeks- en motiveringsplicht.
17. Voor zover eiser meent dat verweerder hem de gelegenheid had moeten bieden om verzuim te herstellen, volgt de rechtbank eiser hierin niet. Het lag op de weg van eiser om bij zijn aanvraag en in bezwaar de noodzakelijke stukken te overleggen. Eiser heeft bovendien niet gemotiveerd waarom hij de aangekondigde medische en maatschappelijke stukken niet heeft overgelegd. Onder die omstandigheden had verweerder geen aanleiding hoeven zien om herstelverzuim te bieden. Ook is het besluit enkele maanden na het indienen van de aanvraag genomen. In die tussentijd is eiser voldoende gelegenheid geboden om de gestelde stukken na te sturen of toe te lichten waarom hij de stukken niet kon overleggen. Ook in beroep heeft eiser de stukken niet overgelegd en heeft hij nagelaten toe te lichten waarom hij nog niet over de stukken beschikt.
Artikel 31 van het Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht
18. De beroepsgrond dat verweerder artikel 31 van het Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht heeft geschonden is niet nader geconcretiseerd of onderbouwd. Eiser heeft evenmin gemotiveerd op welke punten het besluit bewust strijdig zou zijn met de door hem genoemde jurisprudentie ven het EHRM en het HvJEU. De beroepsgrond slaagt niet.
SIS-signalering
19. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Verordening (EU) 2018/1860 voeren de lidstaten een signalering voor terugkeer in voor een derdelander aan wie een terugkeerbesluit is opgelegd. Het doel is na te gaan of aan de terugkeerverplichting wordt voldaan en om de uitvoering van dat besluit te ondersteunen. Afwijking is alleen mogelijk in de in het tweede en derde lid van het artikel genoemde gevallen, zoals wanneer het terugkeerbesluit nog niet uitvoerbaar is of een vrijwillige vertrektermijn loopt, dan wel wanneer signalering onevenredig zou zijn. Eiser heeft niet gesteld, noch is gebleken, dat zich een van die uitzonderingen voordoet. Nu het terugkeerbesluit in stand blijft, was verweerder gehouden de bijbehorende signalering in te voeren.
20. Het in dit kader aangevoerde beroep op artikel 8 van het EVRM en artikel 7 van het Handvest, volgt de rechtbank evenmin. De signalering is voorzien bij wet, dient een legitiem doel van migratiecontrole, en eiser heeft niet concreet onderbouwd dat de inmenging in zijn privéleven verder gaat dan noodzakelijk. Ook het beroep op artikel 6 van het EVRM in dit kader slaagt niet, omdat geen sprake is van een strafvervolging. De artikelen 14 van het EVRM en de artikelen 20 en 21 van het Handvest zijn evenmin geschonden, nu geen vergelijkbare gevallen of andere feiten van ongelijke behandeling zijn aangevoerd. Het beroep op Richtlijn 200/43/EG en de AVG [17] is ook niet nader geconcretiseerd. Voor de gegevensverwerking bestaat bovendien een specifiek Unierechtelijke grondslag in de Verordening 2018/1860. Eiser heeft geen concrete omstandigheden aangevoerd waaruit een onevenredige inmenging volgt. Daarbij komt dat in het besluit is toegelicht dat verweerder alleen toegang heeft tot gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van de aanvraag en de uitvoering van de Nederlandse wet.
Overige beroepsgronden
21. De rechtbank stelt vast dat de verdere beroepsgronden grotendeels uitsluitend een herhaling zijn van hetgeen eiser in bezwaar naar voren heeft gebracht. Daarop is verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd op ingegaan. Eiser heeft niet toegelicht wat op die punten onjuist is aan de motivering van verweerder in het bestreden besluit. De rechtbank ziet in wat eiser verder in beroep heeft aangevoerd daarom geen aanleiding voor een ander oordeel. De beroepsgronden kunnen niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
Conclusie
22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van eisers aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER in stand blijft.
23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 12 januari 2026 door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 8 mei 2018, ECLI:EU:C:2018:308.
3.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Schengen Informatie Systeem.
6.Algemene wet bestuursrecht
7.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
8.Het Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht van 23 mei 1969.
9.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Jeunesse tegen Nederland van 3 oktober 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810.
10.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
11.Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2541, r.o. 3.2.
12.Zie bijvoorbeeld het arrest HvJEU van 15 november 2011, Dereci e.a., ECLI:EU:C:2011:734 en de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1986.
13.Machtiging tot voorlopig verblijf
14.Arrest van het HvJEU van 11 juni 2024, K en L t. de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, zaak C-646/21, ECLI:EU:C:2024:487.
15.Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
16.Zie bijvoorbeeld het arrest van het HvJEU van 5 november 2014, zaaknummer C-166/13, ECLI:EU:C:2014:2336.
17.Algemene Verordening Gegevensbescherming.