ECLI:NL:RBDHA:2026:636

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
11765233 RL EXPL 25 - 11677
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering van passagiers tegen luchtvaartmaatschappij TUI wegens vertraging van vlucht en vergoeding op basis van EU-verordening 261/2004

In deze zaak vorderen een groep passagiers, aangeduid als '[eisers]', een schadevergoeding van TUI Airlines Nederland B.V. wegens een aanzienlijke vertraging van hun vlucht van Tenerife naar Amsterdam op 22 juli 2023. De passagiers hadden een boeking voor vlucht [vluchtnummer], die met een vertraging van 18 uur en 50 minuten in Amsterdam arriveerde. De passagiers baseren hun vordering op de EU-verordening 261/2004, die hen recht geeft op een vergoeding van € 400 per persoon voor de vertraging. TUI betwist de vordering en stelt dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk het onwel worden van een passagier aan boord en het ontbreken van voldoende medische kits, wat volgens TUI niet inherent is aan de normale uitoefening van het luchtvaartbedrijf. De kantonrechter oordeelt echter dat het ontbreken van medische kits en het onwel worden van een passagier inherent zijn aan de luchtvaartoperaties en dat TUI zich niet kan beroepen op buitengewone omstandigheden. De rechter wijst de vordering van de passagiers toe en veroordeelt TUI tot betaling van de gevorderde schadevergoeding, inclusief buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Kantonrechter, zittingsplaats 's-Gravenhage
CB/c
Rolnummer: 11765233 RL EXPL 25 – 11677
6 januari 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1.[eisers sub 1] , wonende te [woonplaats 1],

2.
[eisers sub 2], wonende te [woonplaats 1],
3.
[eisers sub 3], wonende te [woonplaats 2],
4.
[eisers sub 4], wonende te [woonplaats 2],
5.
[eisers sub 5], wonende te [woonplaats 3],
6.
[eisers sub 6], wonende te [woonplaats 3],
7.
[eisers sub 7], wonende te [woonplaats 4],
8.
[eisers sub 8], wonende te [woonplaats 5],
9.
[eisers sub 9], wonende te [woonplaats 5],
10.
[eisers sub 10], wonende te [woonplaats 4],
11.
[eisers sub 11], wonende te [woonplaats 4],
12.
[eisers sub 12], wonende te [woonplaats 6],
13.
[eisers sub 13], wonende te [woonplaats 6],
14.
[eisers sub 14], wonende te [woonplaats 7],
15.
[eisers sub 15], wonende te [woonplaats 7],
16.
[eisers sub 16], wonende te [woonplaats 8],
17.
[eisers sub 17], wonende te [woonplaats 8],
18.
[eisers sub 18], wonende te [woonplaats 9],
eisende partijen,
hierna te noemen: ‘ [eisers] ’ of ‘de passagiers’,
gemachtigde: mevr. [naam] (ProBe-ASP B.V.),
tegen
de besloten vennootschap
TUI Airlines Nederland B.V.,
(statutair) gevestigd te Rijswijk,
gedaagde partij,
hierna te noemen: TUI,
gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD).

1.Het procesverloop

1.1
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 27 mei 2025 met vijf producties (nrs. 1 tot en met 5);
  • de conclusie van antwoord van 30 juli 2025 met vijf producties (nrs. 1 tot en met 5);
  • de conclusie van repliek van 19 augustus 2025 met twee productie (nrs. 5 en 6) ( de rechtbank begrijpt: 5a en 6a);
  • de conclusie van dupliek van 13 oktober 2025.
1.2
Bij brief van 16 oktober 2025 heeft de griffie partijen op de hoogte gesteld dat de kantonrechter op 6 januari 2026 vonnis zou wijzen. Partijen hebben zich daarop niet gemeld met het verzoek tot het houden van een mondelinge behandeling, zodat op basis van de gewisselde processtukken vonnis zal worden gewezen.

2.De feiten

2.1
[eisers] hadden een boeking voor TUI-vlucht [vluchtnummer] van Sur Reina Sofia Airport (Tererife, Spanje) naar Amsterdam-Schiphol Airport (Nederland) op 22 juli 2023.
2.2
De vlucht maakte deel uit van een rotatievlucht Amsterdam – Tenerife – Amsterdam. De geplande vluchttijden waren:
vertrektijd aankomsttijd
Amsterdam 11:50 uur
Tenerife 15:45 uur 16:35 uur
Amsterdam 22:20 uur
(Alle tijden in dit vonnis zijn lokale tijden.)
2.3
Vlucht [vluchtnummer] is met een vertraging van 18:50 uur in Amsterdam gearriveerd op 23 juli 2023 om 17:24 uur.

3.De vordering

3.1
[eisers] , vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, (I.) TUI te veroordelen tot betaling van een bedrag ad € 8.800,00 te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW, te rekenen direct na de vertraging, althans vanaf de datum ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; (II.) TUI te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad
€ 815,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten te rekenen vanaf de datum van de ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; (III.) TUI te veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening; (IV.) TUI te veroordelen in de nakosten van het te wijzen vonnis.
3.2
Aan hun vordering leggen [eisers] ten grondslag dat Europese regelgeving en jurisprudentie, meer in het bijzonder de EU-verordening 261/2004 (hierna; ‘de Verordening’) en (onder meer) de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 december 2008 (C-549/07, Wallentin-Hermann-arrest), van 19 november 2009 (C-402/07, Sturgeon-arrest) hen recht geven op een vergoeding van
€ 400,00 per persoon in verband met de vertraging van hun vlucht van Sur Reina Sofia Airport (Spanje) naar Amsterdam-Schiphol Airport op 22 juli 2023.

4.Het verweer

4.1
TUI voert gemotiveerd verweer tegen de vordering van [eisers] Het verweer komt erop neer dat bij de uitvoering van de vlucht een vertraging is ontstaan als gevolg van buitengewone omstandigheden, die ondanks het treffen van redelijke maatregelen niet voorkomen had kunnen worden in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening. Hierdoor is TUI niet gehouden de passagiers een vergoeding voor de vertraging die zij hebben ondervonden te betalen.

5.De beoordeling

5.1
De Verordening en de daarop gebaseerde jurisprudentie beoogt de passagier als consument van door een luchtvaartmaatschappij aangeboden diensten bescherming te bieden tegen annulering van vluchten en de met annulering gelijkgestelde vertragingen, die een bepaalde tijdsduur overschrijden. Deze bescherming vertaalt zich in bepaalde gefixeerde schadevergoedingen en andere verplichtingen, zoals verzorging en, indien aan de orde, overnachtingen. Als uitgangspunt is de luchtvaartmaatschappij gehouden een bepaalde aan de vluchtafstand gerelateerde vergoeding aan de passagier te betalen in geval van een annulering van een vlucht of een vertraging van meer dan drie uur. Deze verplichting lijdt uitzondering, indien de luchtvaartmaatschappij zich met succes op een bijzondere omstandigheid kan beroepen, die als oorzaak voor de vertraging heeft te gelden.
5.2
Aan de vertraging ging het volgende vooraf. Het vliegtuig is zes minuten na schematijd vertrokken vanaf de luchthaven van Amsterdam en 24 minuten voor schematijd gearriveerd in Tenerife. Tijdens de vlucht is een passagier onwel geworden. Twee andere passagiers, die verpleegkundigen bleken te zijn, hebben samen met de bemanning eerste hulp verleend. Daarbij hebben zij gebruik gemaakt van een of meer ‘medical kits’, die aanwezig waren in het vliegtuig. Bij aankomst in Tenerife waren er minder dan drie complete ‘medical kits’ over, terwijl de voorschriften luiden dat tenminste drie complete kits in het een vliegtuig van het type waarmee de vlucht werd uitgevoerd aanwezig moeten zijn. Te Tenerife bleken geen medical kits voorradig. Een ander vliegtuig van TUI heeft een medical kit afgegeven, maar moest daarvoor een ongeplande tussenlanding maken te Tenerife. Vervolgens moest de bemanning de wettelijke voorgeschreven rusttijd in acht nemen, waardoor het niet meer mogelijk was de terugvlucht nog op 22 juli 2023 uit te voeren. Op 23 juli 2023 is het vliegtuig van Tenerife opgestegen om 11:22 uur om om 17:24 uur in Amsterdam te arriveren.
5.3
De eerste te beantwoorden vraag is of het ontbreken van voldoende ‘medical kits’ voor de aanvang van een vlucht valt aan te merken als een buitengewone omstandigheid, die niet inherent is aan de normale uitoefening van het luchtvaartbedrijf.
5.4
De vraag is of het ontbreken van voldoende medical kits wezenlijk afwijkt van de situatie, waarover het Europese Hof van Justitie heeft geoordeeld in de zgn. Finnair-zaak [1] . In die zaak oordeelde het Hof over het (plotseling) ontbreken van reserveonderdelen als volgt in de rechtsoverwegingen 39 tot en met 41:
39. Technische defecten die inherent zijn aan het onderhoud van luchtvaartuigen kunnen in beginsel op zich evenwel geen „buitengewone omstandigheden” in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004 vormen (zie in die zin arrest van 22 december 2008, Wallentin-Hermann,C549/07
,EU:C:2008:771
, punt25
).
40. Het Hof heeft immers geoordeeld dat luchtvaartmaatschappijen, gelet op de bijzondere omstandigheden waarin het luchtvervoer plaatsvindt en de technische complexiteit van luchtvaartuigen, regelmatig worden geconfronteerd met dergelijke defecten (arrest van 4 april 2019, Germanwings, C501/17, EU:C:2019:288, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41. Meer in het bijzonder vormt een voortijdig, zelfs onverwacht, defect van sommige onderdelen van een luchtvaartuig geen buitengewone omstandigheid, aangezien dit defect in beginsel wezenlijk verbonden is met het systeem voor de werking van het luchtvaartuig (zie in die zin arrest van 4 april 2019, Germanwings, C501/17, EU:C:2019:288, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
5.5
In rechtsoverweging 43 overweegt het Hof vervolgens:
43. Gelet op een en ander dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004 aldus moet worden uitgelegd dat een luchtvaartmaatschappij zich, om zich te bevrijden van haar verplichting tot compensatie, niet kan beroepen op „buitengewone omstandigheden” in de zin van deze bepaling in verband met een defect van een „on-condition”-onderdeel, dat wil zeggen een onderdeel dat slechts wordt vervangen indien het vorige onderdeel uitvalt, zelfs indien zij voortdurend een reserveonderdeel in voorraad houdt, tenzij een dergelijk defect – hetgeen de nationale rechter moet nagaan – een gebeurtenis vormt die naar haar aard of oorsprong niet inherent is aan de normale uitoefening van het bedrijf van de luchtvaartmaatschappij in kwestie en waarop deze niet daadwerkelijk invloed kan uitoefenen, met dien verstande dat wanneer dat defect in beginsel wezenlijk verbonden is met het systeem voor de werking van het luchtvaartuig, het niet als een dergelijke gebeurtenis kan worden beschouwd.
5.6
Weliswaar schrijft het Hof in de laatst aangehaalde rechtsoverweging voor dat
de nationale rechter moet nagaan of een defect een gebeurtenis vormt die naar haar aard of oorsprong niet inherent is aan de normale uitoefening van het normale bedrijf van de luchtvaartmaatschappij en waarop deze daadwerkelijk invloed kan uitoefenen,met dien verstande dat wanneer dat defect in beginsel wezenlijk verbonden is met het systeem voor de werking van het luchtvaartuig, het niet als een dergelijke gebeurtenis kan worden beschouwd [2] .
5.7
Uit het onderstreepte tekstgedeelte volgt dat de nationale rechter in wezen geen beoordelingsruimte heeft als een het een defect betreft dat
wezenlijk verbonden is met het systeem voor de werking van het luchtvaartuig. Is dat het geval dan volgt uit het Finnair-arrest dat het defect geen buitengewone omstandigheid oplevert.
5.8
Naar het oordeel van de kantonrechter is er geen wezenlijk verschil tussen een defect aan een (technisch) onderdeel van een vliegtuig en het ontbreken van een medical kit. Een vliegtuig is een complex systeem, dat moet voldoen aan allerlei voorschriften, sommige van strikt technische aard en andere van veiligheidstechnische aard, waarbij een vliegtuig niet mag opstijgen in het geval een onderdeel, dat daarmee verband houdt defect is of ontbreekt.
5.9
In het voorliggende geval behoort het tot de veiligheidsvoorschriften, waaraan een vliegtuig moet voldoen, dat een minimum aantal medical kits aan boord moeten zijn. Als die er niet zijn mag het vliegtuig niet opstijgen, zo ook in het geval van de onderhavige vlucht [vluchtnummer] op 22 juli 2022.
5.1
Uit hetgeen het Hof in het Finnair-arrest heeft beslist volgt aldus dat in het voorliggende geval TUI zich niet kan beroepen op een buitengewone omstandigheid.
5.11
In haar conclusie van dupliek wijst TUI erop dat de kantonrechter in een eerder vonnis (van 16 september 2025) ten aanzien van dezelfde vlucht [vluchtnummer] op dezelfde dag reeds heeft beslist dat zij zich niet kan beroepen op een buitengewone omstandigheid, maar dat dat oordeel onjuist is. Niet alleen kan TUI zich niet verenigen met het oordeel dat het ontbreken van medical kits te vergelijken is met een technisch mankement, maar ook betoogt TUI dat een zieke passagier aan boord te vergelijken is met een van buiten komende oorzaak, zoals een vogel of
foreign object damage, hetgeen niet intrinsiek verbonden is met het systeem en de werking van een luchtvaartuig.
5.12
In het geval TUI zich niet kan verenigen met een oordeel van de kantonrechter, zoals in dit geval waarbij TUI zich kennelijk niet kan verenigen met het oordeel in het vonnis van 16 september 2024, staat haar daartoe in beginsel de weg van het hoger beroep open. Niettemin staan de procesregels er niet aan in de weg dat TUI in een in feite zelfde geschil aanvullende argumenten als verweer aanvoert, ook als die voortvloeien uit een eerder oordeel in eenzelfde geschil. De kantonrechter zal daarom op beide aanvullende verweren ingaan.
5.13
TUI meldt in punt 1.1 van haar conclusie van dupliek dat zij zich niet kan verenigen met het oordeel dat het ontbreken van voldoende medical kits geen technisch mankement is en dat zij dat nader zal toelichten. Een dergelijke toelichting blijft vervolgens uit, zodat de kantonrechter geen aanleiding ziet zijn standpunt op dit punt te herzien.
5.14
De kantonrechter verwerpt het verweer van TUI dat het onwel worden van een passagier een van buiten komende oorzaak betreft, zoals een aanvaring met een vogel of andere
foreign object damage. In de eerste plaats is het onwel worden van een passagier geen
van buiten komendegebeurtenis. Maar belangrijker nog betreft het vervoeren van passagiers de kerntaak van de luchtvaartmaatschappij. Omdat personen op onverwachte momenten onwel kunnen worden, ook tijdens vluchten, is het onwel worden van een passagier daarmee inherent aan de uitoefening van het luchtvaartbedrijf.
5.15
Vervolgens is tussen partijen nog debat gevoerd over de omstandigheid dat, nadat vervangende medical kits waren gearriveerd, de bemanning de wettelijk voorgeschreven rusttijden in acht moest nemen, waardoor uiteindelijk de onderhavige vlucht met een vertraging van ongeveer 19 uur op de bestemming Amsterdam is aangekomen. Het lijkt erop dat TUI het argument van de verplichte rusttijden opbrengt in het kader van de redelijke maatregelen, die zij in acht heeft genomen als aanvullende voorwaarde om zich te verschonen van de verplichting om vergoeding te betalen. Maar omdat hiervoor is overwogen dat TUI zich wat betreft het ontbreken van de medical kits niet kan beroepen op buitengewone omstandigheden, behoeft het verweer in dat kader geen bespreking.
5.16
Voor zover TUI bedoelt te stellen dat het in acht nemen van de wettelijk voorgeschreven rusttijden ook een buitengewone omstandigheid oplevert verwerpt de kantonrechter dat verweer. Het in acht nemen van verplichte rusttijden is hoe dan ook inherent aan de uitoefening van het luchtvaartbedrijf. Dat geldt ook indien een vliegtuig om welke reden dan ook met vertraging wordt geconfronteerd en die vertraging ertoe leidt dat de bemanning verplichte rusttijd in acht moet nemen. Ook dat is inherent aan de uitoefening van het luchtvaartbedrijf.
5.17
Nu TUI zich niet kan beroepen op een buitengewone omstandigheid dient TUI de forfaitaire vergoeding aan de passagiers te betalen en in zoverre zal de vordering van de passagiers worden toegewezen.
5.18
De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen worden toegewezen als gevorderd en TUI zal, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de passagiers, welke kosten de kantonrechter, begroot op:
  • griffierecht € 248,00
  • explootkosten € 144,47
- salaris gemachtigde
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.205,47

6.De beslissing

De kantonrechter:
- veroordeelt TUI tot betaling van een bedrag van € 9.615,00 (€ 8.800,00 in hoofdsom en € 815,00 voor buitengerechtelijke kosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 8.800,00 van de dag na de vertraging en over een bedrag van € 200,25 vanaf de dag van de dagvaarding;
- veroordeelt TUI in de proceskosten aan de zijde van [eisers] , begroot op een bedrag van € 1.205,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als TUI niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. C.W.D. Bom en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HvJEU 12 maart 2020, ECLI:EU:C:2020:204.
2.Onderstreping door kantonrechter