ECLI:NL:RBDHA:2026:637

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
NL25.12883
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening in asielzaak na eerdere uitspraak

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 12 januari 2026 uitspraak gedaan in een verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoeker, een asielzoeker, had de minister van Asiel en Migratie aangeklaagd na de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER. Het primaire besluit van de minister, gedateerd op 9 december 2024, wees de aanvraag af. Hiertegen heeft verzoeker bezwaar gemaakt, maar dit bezwaar werd op 25 februari 2025 door de minister kennelijk ongegrond verklaard. Verzoeker heeft vervolgens beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft echter geoordeeld dat een voorlopige voorziening niet meer nodig is, aangezien er op dezelfde dag een uitspraak is gedaan in een gerelateerde zaak (zaaknummer NL25.12882). Hierdoor is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Tevens is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen hoger beroep of verzet open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12883

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R. Dhalganjansing),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER afgewezen.
Bij besluit van 25 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gerichte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

1. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.12882, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan op 12 januari 2026 door mr. A.C.J. van Dooijeweert, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.