ECLI:NL:RBDHA:2026:6370

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
NL26.12399
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vw 2000Art. 8:42 AwbArt. 8.4 Procesreglement bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

De minister van Asiel en Migratie legde op 4 maart 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 17 maart 2026.

Eiser voerde aan dat de minister zijn informatieplicht niet was nagekomen, onvoldoende had beoordeeld of zicht op uitzetting bestond, niet voortvarend had gehandeld en dat de voorbereiding van de maatregel onzorgvuldig was. De rechtbank oordeelde dat de minister de stukken tijdig had ingediend, op een laat ingediend nader gehoor na, die geen procesbelangenschade opleverde. Daarnaast is zicht op uitzetting geen vereiste voor de bewaring en heeft eiser onvoldoende concrete feiten aangevoerd om een uitzonderingspositie te onderbouwen.

De rechtbank vond dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld gezien de korte termijn tussen aanvraag en nader gehoor. Ook was het gehoor voorafgaand aan de bewaring relevant en toereikend toegespitst op de gronden van de maatregel. De rechtbank verwierp het betoog dat de maatregel onrechtmatig was vanwege onvoldoende motivering of onzorgvuldige voorbereiding.

De ambtshalve toetsing leverde geen aanwijzingen op dat de maatregel onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.12399

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn via een beeldverbinding verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Schending informatieplicht
1. Eiser voert aan dat de minister niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht, zoals bedoeld in artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 8.4 van het Procesreglement bestuursrecht (Procesreglement), waaruit volgt dat de op de zaak betrekking hebbende stukken tijdig overgelegd dienen te worden.
1.1.
De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 8:42 van Pro de Awb en artikel 8.4 van het Procesreglement volgt dat het aan de minister is om de op de zaak betrekking hebbende stukken tijdig in te zenden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister hieraan voldaan. Uit artikel 8.4 van het Procesreglement volgt dat het bestuursorgaan wordt verzocht de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden uiterlijk op de derde werkdag vóór de zitting om 16:00 uur. Dat betekent in dit geval dat de minister op 12 maart 2026 voor 16:00 uur de op de zaak betrekking hebbende stukken aan het rechtbankdossier diende toe te voegen. De rechtbank stelt vast dat de minister de op de zaak betrekking hebbende stukken tijdig heeft ingediend, met uitzondering van het verslag van het nader gehoor. Dat dit stuk is ingediend na de termijn genoemd in het Procesreglement, acht de rechtbank onvoldoende voor het oordeel dat eiser door deze overschrijding in zijn processuele belangen is geschaad. Het nader gehoor dateert namelijk van 13 maart 2026. De minister kon dit stuk dan ook niet indienen vóór 12 maart 2026 om 16:00 uur (in overeenstemming met artikel 8.4 van het Procesreglement). Eiser heeft ook niet concreet gemaakt welke stukken, die van belang zijn voor de beslechting van de bestaande geschilpunten tussen hem en de minister in dit geding, door de minister niet zijn overgelegd. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting en voortvarend handelen
2. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte niet heeft beoordeeld of in zijn geval zicht op uitzetting bestaat. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) waaruit volgt dat de minister in een besluit, waarbij de vreemdeling krachtens artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000 in bewaring is gesteld,
in de regelniet is gehouden te motiveren dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbreekt. [1] De woorden ‘in de regel’ impliceren een uitzonderingsmogelijkheid. De minister heeft niet beoordeeld of in het geval van eiser sprake is van een uitzonderingsmogelijkheid.
2.1.
De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraken van de Afdeling van 8 juni 2016 [2] en 30 mei 2024 [3] waaruit volgt dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor een bewaringsmaatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000. Nog daargelaten of de minister in dit geval toch gehouden is om – zoals eiser stelt – te beoordelen of er sprake is van een uitzonderingsmogelijkheid, is de rechtbank van oordeel dat eiser dit standpunt onvoldoende heeft onderbouwd. Nu eiser een beroep doet op deze gestelde uitzonderingsmogelijkheid, ligt het op zijn weg om met concrete feiten en omstandigheden te komen waaruit blijkt dat de minister had moeten beoordelen of in zijn geval het zicht op uitzetting ontbreekt. Dit heeft eiser niet gedaan. Evenmin heeft eiser toegelicht waarom het aannemen van het zicht op uitzetting ten aanzien van Egypte, in dit geval zodanig onevenredig is dat afwijking geboden zou zijn. De enkele stelling dat een uitzondering mogelijk is, is onvoldoende. Reeds hierom bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister gehouden was om gebruik te maken van de gestelde uitzonderingsbevoegdheid.
2.2.
Eisers betoog dat in zijn geval ook moet worden beoordeeld of de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld, wat daar ook van zij, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld bij de behandeling van eisers asielaanvraag. Eiser heeft op 4 maart 2026 een aanvraag ingediend en op 13 maart 2026 heeft een nader gehoor plaatsgevonden. Gelet hierop, en nu eiser verder geen concrete aanwijzingen heeft aangedragen waaruit op voorhand kan worden afgeleid dat de maximale termijn vermeld in artikel 59b, tweede lid, van de Vw 2000 niet zal worden gehaald, ziet de rechtbank geen grond om te oordelen dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. De beroepsgrond slaagt niet.
Onzorgvuldige voorbereiding
3. Eiser voert aan dat opleggen van de maatregel van bewaring onzorgvuldig is voorbereid en daarom onrechtmatig is. Eiser is in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000. Het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling heeft zich toegespitst op het onderzoek of eiser alsnog uit eigen beweging zou voldoen aan zijn terugkeerverplichting. Ook de motivering van de gronden van bewaring zijn toegespitst op het risico dat eiser niet uit eigen beweging zal terugkeren naar zijn land van herkomst. Uit het gehoorverslag moet blijken dat de vragen die worden gesteld verband houden met het specifieke doel waartoe de oplegging van de maatregel strekt. Dit geldt tot slot ook voor de motivering van de beoordeling waarom een lichter middel niet toereikend is geacht om te verzekeren dat eiser beschikbaar zou blijven gedurende het onderzoeken van zijn asielaanvraag. Eiser verwijst ter onderbouwing naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 5 februari 2026. [4]
3.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling niet te relateren is aan de grondslag van de maatregel van bewaring, namelijk eisers asielaanvraag. Daarbij acht zij van belang dat eiser pas tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel zijn asielwens heeft geuit. In reactie hierop heeft de verbalisant direct het formulier M35H aan eiser laten zien, toegelicht, en door eiser laten ondertekenen. Daarnaast is besproken waarom geen lichter middel is opgelegd. Ook heeft de verbalisant gevraagd welke nationaliteit eiser heeft, of eiser identiteitsdocumenten heeft, en welke handelingen eiser heeft verricht om aan een (vervangend) identiteitsdocument te komen. Ook is gevraagd aan eiser of hij terug kan en wil naar Egypte en of hij vreest voor zijn leven bij terugkeer. Dit zijn relevante vragen voor de bewaringsmaatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000. Niet is toegelicht op welke wijze het gehoor tekortschiet en welke vragen wel of niet gesteld hadden moeten worden. Eisers verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, kan hem tot slot niet baten. Voorop staat dat hoger beroep is ingesteld tegen deze uitspraak en het gaat bovendien om een enkele uitspraak van een zittingsplaats.
3.2.
Ook eisers standpunt dat de grondslag waarop de bewaringsmaatregel is gebaseerd is gemotiveerd aan de hand van het risico dat eiser niet uit eigen beweging terugkeert naar zijn land van herkomst waardoor de maatregel onrechtmatig is, wordt door de rechtbank niet gevolgd. In de maatregel wordt weliswaar genoemd dat het risico bestaat dat eiser de voorbereidingen van vertrek zal ontwijken of belemmeren, maar de maatregel is ook gebaseerd op het risico op onttrekking, wat relevant is voor de bewaringsmaatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. [5]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Kouwen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

5.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).