ECLI:NL:RBDHA:2026:6372
Rechtbank Den Haag
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van uitlokking brandstichting en ontploffing
De rechtbank Den Haag behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het uitlokken van brandstichting en/of het veroorzaken van een ontploffing bij de voordeur van de overburen in Delfgauw. De tenlastelegging betrof het opzettelijk aanzetten van een medeverdachte tot het plegen van deze strafbare feiten in de periode van 12 februari tot en met 20 maart 2025.
Tijdens de terechtzitting op 9 maart 2026 heeft de rechtbank het dossier en de standpunten van de officier van justitie en de verdediging onderzocht. De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 18 maanden, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte. Uit het dossier bleek dat er op de plaats delict een kapotte bloempot en een kapotte ruit waren, en dat er een vuurwerkgeur werd waargenomen. Echter, er werden geen restanten van vuurwerk of explosieven aangetroffen, en het veiliggestelde dopje was vernietigd wegens gebrek aan bewijs.
De rechtbank oordeelde dat niet met zekerheid kon worden vastgesteld dat er daadwerkelijk een ontploffing of brandstichting had plaatsgevonden. Het ontbreken van forensische aanwijzingen en het ontbreken van roet- of brandschade op de voordeur maakten het bewijs onvoldoende. Daarom werd het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen verklaard en werd verdachte vrijgesproken.
De benadeelde partijen hadden schadevergoedingen gevorderd, maar werden niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte werd vrijgesproken. De rechtbank hief tevens het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op en sprak het vonnis uit op 23 maart 2026.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van uitlokking van brandstichting of ontploffing.