ECLI:NL:RBDHA:2026:6377

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
NL26.12956 en NL26.13114
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 66a Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000Art. 4.39 Vb 2000Wet arbeid vreemdelingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen inreisverbod en maatregel van bewaring wegens onrechtmatig verblijf en arbeid in strijd met Wet arbeid vreemdelingen

De minister van Asiel en Migratie legde op 7 maart 2026 aan eiser een inreisverbod van twee jaar en een maatregel van bewaring op wegens onrechtmatig verblijf en het verrichten van arbeid in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen. Eiser voerde aan dat het inreisverbod onzorgvuldig tot stand was gekomen en dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn zakelijke belangen als vennoot in een bakkerij. Ook stelde hij niet te hebben geweten van de afwijzing van zijn verblijfsvergunning.

De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende had doorgevraagd naar de persoonlijke omstandigheden en dat de zakelijke belangen van eiser waren betrokken bij de besluitvorming. Het niet weten van de afwijzing van de verblijfsvergunning kwam voor rekening en risico van eiser. De maatregel van bewaring werd gedragen door feitelijk juiste gronden, waaronder het onrechtmatig verblijf sinds 29 augustus 2024 en het niet naleven van vertrektermijnen.

Eiser betwistte enkele gronden, maar de rechtbank vond deze betwistingen onvoldoende onderbouwd. Ook het beroep dat de minister een lichter middel had moeten toepassen werd verworpen, omdat het risico op onttrekking aan toezicht reëel was. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. De beroepen werden ongegrond verklaard.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep tegen het inreisverbod en de maatregel van bewaring af en verklaart deze besluiten rechtmatig.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.12956 en NL26.13114

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2026 in de zaken tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. B. Snoeij),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. E. Özel).

Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2026 (bestreden besluit 1) heeft de minister aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. De minister heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten afzonderlijk beroep ingesteld. Het beroep tegen bestreden besluit 2 moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 17 maart 2026 gevoegd op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn via beeldverbinding verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Het inreisverbod (bestreden besluit 1, NL26.13114)
Had de minister van het opleggen van een inreisverbod moeten afzien?
1. Eiser betoogt dat de minister van het opleggen van het inreisverbod had moeten afzien dan wel de duur daarvan had moeten verkorten, omdat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Volgens eiser is tijdens het gehoor van 7 maart 2026 onvoldoende doorgevraagd naar zijn persoonlijke omstandigheden, in het bijzonder zijn zakelijke belangen als vennoot in een bakkerij. Er had nader moeten worden gevraagd naar de omvang van zijn belangen, de investeringen en de wijze waarop afspraken en betalingen moeten worden afgewikkeld. Daarvoor is persoonlijk contact nodig en kan dit niet op afstand plaatsvinden. Ook is onvoldoende rekening gehouden met deze belangen. Eiser voert verder aan dat hij niet wist dat zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige was afgewezen en dat hij daarom niet wist dat hij illegaal in Nederland verbleef.
1.1.
Ter zitting heeft de minister zich primair op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat in de aankondiging van de bewaringszitting van de rechtbank van 12 maart 2026 is vermeld dat de gronden uiterlijk vrijdag vóór de zitting moesten worden ingediend en dit niet (tijdig) is gebeurd. De rechtbank gaat hieraan voorbij en betrekt deze stelling niet bij de beoordeling. In de aankondiging van de bewaringszitting heeft de rechtbank immers geen gevolg verbonden aan het niet-tijdig indienen van de gronden.
1.2.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat geen sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding van het inreisverbod en dat voldoende rekening is gehouden met de situatie van eiser. Uit het proces-verbaal van gehoor van 7 maart 2026 voorafgaand de oplegging van het inreisverbod blijkt dat de zakelijke belangen van eiser zijn uitgevraagd Zo is gevraagd of hij zakelijke belangen heeft in Nederland en heeft eiser hierover verklaard. Deze verklaringen zijn vervolgens betrokken bij de besluitvorming. De minister heeft hiermee voldoende doorgevraagd. Dat niet verder is ingegaan op de omvang van de belangen, investeringen en de afwikkeling daarvan, maakt dit niet anders. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat deze belangen zijn opgebouwd tijdens onrechtmatig verblijf en dat eiser deze ook op afstand vanuit Turkije kan regelen. Eisers stelling dat dit niet mogelijk is en persoonlijk contact noodzakelijk is, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft immers niet concreet gemaakt waarom hij bepaalde investeringen, betalingen en afspraken niet op afstand kan doen. Gelet hierop stelt de minister zich terecht op het standpunt dat geen aanleiding bestaat om op grond van eisers zakelijke belangen van het opleggen van het inreisverbod af te zien. Dat eiser stelt niet te hebben geweten dat zijn aanvraag was afgewezen, leidt niet tot een ander oordeel. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat deze omstandigheid voor rekening en risico van eiser komt. Het besluit waarbij eisers aanvraag om een verblijfsvergunning is afgewezen is namelijk op de juiste wijze bekend gemaakt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
1.3.
Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 – voor zover van belang – vaardigt de minister een inreisverbod uit tegen de vreemdeling die niet uit eigen beweging binnen de daarvoor geldende termijn Nederland heeft verlaten, in welk geval het inreisverbod slechts door middel van een zelfstandige beschikking wordt uitgevaardigd. Als de vreemdeling bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd en onderbouwd kan van een inreisverbod worden afgezien of een kortere termijn worden opgelegd. Zoals onder 1.2 is overwogen, is niet gebleken van, dan wel heeft eiser onvoldoende onderbouwd dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden, zodat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat geen aanleiding bestaat om de duur van het inreisverbod te verkorten of van een inreisverbod af te zien. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De maatregel van bewaring (bestreden besluit 2 NL26.12956)
Voortraject
2. Eiser betoogt dat uit het dossier onvoldoende duidelijk blijkt op welke wijze hij met de vreemdelingenpolitie in aanraking is gekomen. Anders dan uit het proces-verbaal van staandehouding van 7 maart 2026, waarin slechts staat vermeld dat sprake was van een controle op grond van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), volgt volgens eiser niet hoe deze controle heeft plaatsgevonden en wat de aanleiding daarvoor was. Eiser stelt dat daardoor de rechtmatigheid van het vreemdelingrechtelijk optreden niet kan worden vastgesteld.
2.1.
Uit het proces-verbaal van staandehouding blijkt voldoende dat eiser in de macht is gekomen van de vreemdelingenpolitie naar aanleiding van controle op grond van de Wav die is uitgevoerd door de Nederlandse Arbeidsinspectie. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat de rechtmatigheid van de Wav-controle niet ter beoordeling staat van de bewaringsrechter. Zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), is het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken om te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden. [1] Een controle in het kader van de Wav betreft een feitelijke handeling, zodat de aanleiding en uitvoering daarvan in deze procedure niet ter toetsing voorligt. De rechtbank betrekt deze omstandigheden dan ook niet bij de beoordeling. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
3.1.
Eiser heeft zware grond 3a, 3c en lichte grond 4f betwist. Eiser betoogt dat niet vaststaat dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Daarnaast betwist eiser dat hij bewust een vertrektermijn heeft overschreden of arbeid heeft verricht in strijd met de Wav, omdat hij stelt niet te hebben geweten dat zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige was afgewezen. Eiser is pas bij gelegenheid van de ophouding in kennis is gesteld van de afwijzing van zijn aanvraag en wist daardoor niet dat hij Nederland moest verlaten.
3.2.
In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding om de gronden die aan maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd onrechtmatig te achten. De rechtbank is van oordeel dat in ieder geval de onbetwiste zware grond 3b die aan de maatregel van bewaring ten grondslag is gelegd feitelijk juist is. De zware grond 3b is feitelijk juist, omdat eiser sinds 29 augustus 2024 geen rechtmatig verblijf heeft en zich niet onmiddellijk in persoon heeft gemeld bij de korpschef, zoals vereist op grond van artikel 4.39 van het Vb 2000. Daarmee heeft hij niet voldaan aan de op hem rustende verplichting. De zware grond 3c is feitelijk juist, omdat het voor rekening en risico van eiser komt dat hij niet zou hebben geweten dat zijn aanvraag van zijn verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige op 29 augustus 2024 is afgewezen, nu het besluit op correcte wijze bekend is gemaakt via zijn gemachtigde. Dat eiser stelt dat zijn gemachtigde hem niet op de hoogte heeft gebracht, maakt dit niet anders, omdat eiser ook zelf contact had kunnen opnemen met zijn advocaat. De minister stelt op zitting ook – onbestreden – dat het afwijzende besluit naar de gemachtigde is verzonden. De zware gronden 3b en 3c kunnen de maatregel van bewaring dragen. Daarvoor is voldoende dat zij feitelijk juist zijn. [2] Wat eiser verder heeft aangevoerd kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
4. Eiser betoogt dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel. Volgens eiser had hij de mogelijkheid moeten krijgen om zijn zakelijke belangen in Nederland af te wikkelen. Eiser heeft daarnaast verklaard dat hij niet op de hoogte was van de afwijzing van zijn aanvraag en dat hij zijn zakelijke activiteiten wil voortzetten, mede gelet op zijn financiële verantwoordelijkheid voor zijn gezin in Turkije. Er is ook geen reden om aan te nemen dat hij zich niet aan eventuele voorwaarden zou houden zodat onterecht geen lichter middel is toegepast.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De minister heeft in de maatregel terecht gewezen op de niet bestreden gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en waaruit het risico op onttrekking aan het toezicht volgt. De minister stelt zich verder terecht op het standpunt dat de door eiser aangevoerde omstandigheden niet tot een ander oordeel leiden. Voor zover eiser stelt dat hij niet wist dat zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige is afgewezen geldt dat dit voor zijn rekening en risico komt, nu het besluit van 29 augustus 2024 op correcte wijze bekend is gemaakt aan zijn gemachtigde. Aan eiser is tevens bij dat besluit een terugkeerbesluit opgelegd, zodat hij Nederland had moeten verlaten wat hij niet heeft gedaan. Ten aanzien van zijn gestelde verantwoordelijkheid voor zijn vrouw en kinderen en zijn inkomsten uit de bakkerij stelt de minister zich terecht op het standpunt dat deze omstandigheden, hoe begrijpelijk ook, niet afdoen aan het vastgestelde risico op onttrekking. Hierbij speelt mee dat zijn gezin in Turkije verblijft. Wat betreft de zakelijke belangen stelt de minister zich terecht op het standpunt dat deze zijn betrokken bij de besluitvorming, maar dat deze, gelet op het vastgestelde risico op onttrekking, niet maken dat een lichter middel aangewezen was. Gelet hierop heeft de minister terecht afgezien van het toepassen van een lichter middel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toets tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan. [3]

Conclusie en gevolgen

6. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, in aanwezigheid van
mr. N. Habibi, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ABRvS 26 juli 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD6144, onder 2.2, ABRvS 8 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE7501, onder 2.3.3 en ABRvS 23 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:758, onder 3.3.
2.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
3.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X), HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.