ECLI:NL:RBDHA:2026:6405

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
24/7426
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wet Schadefonds Geweldsmisdrijven
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling hoogte toegekende uitkering schadefonds geweldsmisdrijven bij letselcategorie 3

Eiser, slachtoffer van een mishandeling door een buurman, diende een aanvraag in voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Verweerster kende aanvankelijk een uitkering toe in letselcategorie 2, maar na bezwaar werd dit verhoogd naar letselcategorie 3 met een bedrag van €5.000,-.

Eiser betwistte de hoogte van de uitkering en stelde dat de gevolgen van de mishandeling ernstig zijn en dat hij blijvend beperkt is, waardoor hij aanspraak maakt op een hogere uitkering. De rechtbank toetste het besluit van verweerster terughoudend en concludeerde dat de toekenning van letselcategorie 3 redelijk is, mede op basis van een medisch advies dat forse nek- en schouderklachten bevestigt.

De rechtbank oordeelde dat de medische informatie van eiser onvoldoende aanleiding gaf om het advies te betwijfelen en dat de aanvullende medische gegevens geen aanleiding gaven tot een hogere categorie. De uitkering is een solidariteitsvergoeding en geen schadevergoeding. Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard en hij kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de hoogte van de uitkering wordt ongegrond verklaard en de toekenning van letselcategorie 3 blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7426

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.W. Fakiri),
en

de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerster

(gemachtigde: mr. Y. Pieters).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de hoogte van de toegekende uitkering.
1.1.
Met het besluit van 29 mei 2024 heeft verweerster een uitkering toegekend op grond van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg). Met het bestreden besluit van
23 juli 2024 op het bezwaar van eiser heeft verweerster het bezwaar gegrond verklaard en een hogere uitkering toegekend.
1.2.
Verweerster heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerster.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft op 5 januari 2024 een aanvraag ingediend voor een uitkering omdat hij slachtoffer is geweest van een mishandeling door een buurman. Door deze mishandeling liep eiser lichamelijke en psychische klachten op. Hij heeft hevige pijn aan zijn nek en schouders waardoor hij beperkt is in het bewegen. Verweerster heeft eerst overwogen dat eiser een tegemoetkoming in letselcategorie 2 krijgt, een bedrag van € 2.500,-. [1] In bezwaar heeft de medisch adviseur van verweerster eiser beoordeeld en geadviseerd om letselcategorie 3 toe te kennen. Dit advies heeft verweerster in het bestreden besluit overgenomen en eiser nog eens een uitkering van € 2.500,- toegekend.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met de hoogte van de toegekende uitkering. Hij voert daarbij aan dat verweerster de gevolgen van de mishandeling onderschat. Hij is blijvend beperkt geraakt met grote gevolgen voor zijn leven. Eiser verzoekt verweerster de adviezen van de deskundigen te volgen en zou graag zien dat hij de maximale tegemoetkoming krijgt.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Een slachtoffer dat ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft opgelopen door een in Nederland gepleegd geweldsmisdrijf, kan verzoeken om een uitkering uit het Schadefonds. [2] Een uitkering is een financiële tegemoetkoming, die uiting geeft aan solidariteit van de samenleving met het slachtoffer.
5. De rechtbank stelt voorop dat verweerster bij het besluit over de (hoogte van) de uitkering beslissingsruimte heeft. De rechtbank moet dat besluit terughoudend toetsen. Dat betekent dat de rechtbank beoordeelt of verweerster in redelijkheid heeft kunnen besluiten om een uitkering categorie 3 te verlenen. Volgens vaste rechtspraak zijn de beleidsregels die verweerster daarbij hanteert in ieder geval niet onredelijk. [3] Verweerster mag daar dus van uitgaan. Verweerster heeft die beleidsregels hier ook toegepast.
6. In het beleid staat onder andere een lijst met indicaties over welk letsel als ernstig wordt beschouwd en welke uitkering hierbij past. De ernst van het opgelopen letsel en de omstandigheden waaronder het geweldsmisdrijf is gepleegd, bepalen welke letselcategorie van toepassing is. Het vaste bedrag dat bij die letselcategorie hoort, is dan de uitkering die verweerster aan het slachtoffer verstrekt. Hierbij geldt als uitgangspunt: hoe ernstiger het letsel, hoe hoger de letselcategorie en de bijbehorende uitkering.
7. De rechtbank beoordeelt of verweerster in redelijkheid tot een uitkering van €5.000,- heeft kunnen komen. Nu het gaat om een aanvraagsituatie, is het aan eiser om aannemelijk dat hij voldoet aan de criteria om aanspraak te maken op een uitkering uit een hogere categorie.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerster zich op het standpunt kunnen stellen dat het door eiser opgelopen fysieke letsel valt in categorie 3 op de letsellijst. In het medisch advies van 19 juli 2024 is vermeld dat eiser als gevolg van de mishandeling forse nek- en schouderklachten heeft opgelopen. De klachten worden vooral bepaald door spierproblemen en een verminderde beweeglijkheid van de wervelkolom, zonder dat daar direct aanwijsbare oorzaken voor zijn. Uit het verslag van de fysiotherapeut komt wel naar voren dat er forse beperkingen zijn opgetreden in de algemeen dagelijkse levensverrichtingen. Daarnaast maakt eiser gebruik van een maaltijdservice. Gelet op de waarschijnlijk blijvende beperkingen (die natuurlijk voor een groot deel ook te maken hebben met eisers leeftijd) als gevolg van de mishandeling is een letselcategorie 3 wel op zijn plaats.
9. Verweerster heeft zich naar het oordeel van de rechtbank mogen baseren op voornoemd medisch advies, omdat deze op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusie daarop aansluit. Eiser heeft geen medische informatie ingebracht die maakt dat aan de juistheid van dit medische advies moet worden getwijfeld.
Uit de latere berichten van de orthopeed van 24 februari 2025 en 11 november 2024 blijkt dat eiser een echo heeft gehad voor zijn linker schouder, vanwege klachten na de mishandeling. De uitslag van de echo is deels dat eiser een peesontsteking in de schouder heeft. Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen reden is om deze berichten alsnog te betrekken bij de beoordeling, nu zij niet het verschil maken voor een categorie 4. Zoals onweersproken door verweerder ter zitting is toegelicht moet het daarbij gaan om volledige uitval van de arm en niet zoals eiser zelf ter zitting heeft aangegeven dat hij zijn armen niet meer boven zijn schouders kan heffen.
De wens van eiser voor een hogere letselcategorie is gelet op de ernst van de situatie begrijpelijk, maar verweerder is gelet op het geldend kader niet gehouden een hogere uitkering te doen. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat verweerder een publiek orgaan is en een uitkering vanuit dit fonds een tegemoetkoming afkomstig uit publieke middelen is en niet is bedoeld als vergoeding van de daadwerkelijk geleden schade. Gelet op het vorenstaande slaagt de beroepsgrond niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Verweerster heeft met een waardering van het letsel van eiser in categorie 3 het letsel niet onderschat. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven 1 november 2022 en Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven 1 november 2022.
2.Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Schadefonds Geweldsmisdrijven.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:568, r.o. 8.