ECLI:NL:RBDHA:2026:6406
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij bezwaar tegen weigering verlenging verblijfsvergunning
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van de minister van Asiel en Migratie om de geldigheidsduur van haar verblijfsvergunning te verlengen. Dit bezwaar is door de minister ongegrond verklaard bij besluit van 11 april 2024. Verzoekster heeft vervolgens beroep ingesteld en tevens een voorlopige voorziening gevraagd.
De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zonder zitting uitspraak gedaan. Omdat de rechtbank op 14 augustus 2024 al uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer NL24.19637), is een voorlopige voorziening niet meer noodzakelijk.
Daarom is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan op 20 maart 2026 en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is beslist.