ECLI:NL:RBDHA:2026:641

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
NL25.43556
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:82 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening beoordeeld, ingediend door verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel 'Humanitair niet-tijdelijk'. De voorzieningenrechter heeft het verzoek zonder zitting behandeld.

De kern van de beoordeling betrof de betaling van het griffierecht. Verzoeker werd door de griffier middels een aangetekende brief op 11 september 2025 gewezen op de verplichting om het griffierecht binnen twee weken te voldoen. Uit het afleverbewijs blijkt dat deze brief op 15 september 2025 is bezorgd aan het adres van de gemachtigde van verzoeker.

De rechtbank constateerde dat het griffierecht niet is betaald en dat verzoeker geen reden heeft gegeven voor het niet betalen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet betalen van het griffierecht niet verontschuldigbaar is en verklaarde het verzoek om voorlopige voorziening daarom niet-ontvankelijk. Hierdoor is het verzoek niet inhoudelijk beoordeeld en is er geen proceskostenveroordeling opgelegd.

De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas en griffier F. Metz op 14 januari 2026. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.43556

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], v-nummer: [nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening hangende het bezwaar van verzoeker om de beslissing op bezwaar in Nederland af te mogen wachten. De minister heeft met het besluit van 8 september 2025 zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel ‘Humanitair niet-tijdelijk’ namelijk afgewezen.
1.1.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. De griffier van de rechtbank stelt een termijn vast waarbinnen het griffierecht betaald moet worden. [2] Het hele bedrag moet binnen die termijn zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of contant zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Wanneer iemand het griffierecht niet of niet op tijd betaalt, kan de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaren. Een niet-ontvankelijkverklaring van de voorlopige voorziening laat de voorzieningenrechter achterwege als hij het niet (op tijd) betalen van het griffierecht verontschuldigbaar vindt. In dat geval bestaat er namelijk een goede reden waarom iemand het griffierecht niet (op tijd) heeft betaald.
Is er een betalingstermijn gegeven voor het betalen van griffierecht?
3. Met de aangetekende nota van 11 september 2025 heeft de griffier verzoeker gewezen op de verplichting om griffierecht te betalen. Verzoeker is in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na dagtekenen van deze brief het griffierecht te betalen. Daarbij heeft de griffier vermeld dat als het griffierecht niet (binnen de betalingstermijn) wordt betaald, verzoeker het risico loopt dat zijn verzoek om voorlopige voorziening door de voorzieningenrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard.
4. In de aangetekende brief van 11 september 2025 staat het adres van de gemachtigde van verzoeker. Uit het afleverbewijs van PostNL blijkt dat de brief op 15 september 2025 is bezorgd aan datzelfde adres. [3] Er is voor ontvangst van de brief getekend.
Heeft verzoeker het griffierecht betaald?
5. Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat verzoeker het griffierecht niet heeft voldaan. Verzoeker heeft ook geen reden gegeven waarom hij het griffierecht niet kan betalen aan de rechtbank. De voorzieningenrechter vindt het niet betalen van het griffierecht daarom niet verontschuldigbaar.

Conclusie en gevolgen

6. Omdat verzoeker het griffierecht niet heeft betaald en daar geen reden voor heeft gegeven, is het verzoek niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.
2.Dit volgt uit artikel 8:82, eerste lid, van de Awb.
3.De voorzieningenrechter stelt vast dat op het afleverbewijs van PostNL wel data maar geen jaartallen staan opgenomen. De track-en-trace-code op de aangetekende brief komt overeen met de code die genoemd staat op het afleverbewijs. Gelet daarop gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat met de data op het afleverbewijs 2025 wordt bedoeld.