ECLI:NL:RBDHA:2026:641
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht
In deze zaak heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening beoordeeld, ingediend door verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel 'Humanitair niet-tijdelijk'. De voorzieningenrechter heeft het verzoek zonder zitting behandeld.
De kern van de beoordeling betrof de betaling van het griffierecht. Verzoeker werd door de griffier middels een aangetekende brief op 11 september 2025 gewezen op de verplichting om het griffierecht binnen twee weken te voldoen. Uit het afleverbewijs blijkt dat deze brief op 15 september 2025 is bezorgd aan het adres van de gemachtigde van verzoeker.
De rechtbank constateerde dat het griffierecht niet is betaald en dat verzoeker geen reden heeft gegeven voor het niet betalen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet betalen van het griffierecht niet verontschuldigbaar is en verklaarde het verzoek om voorlopige voorziening daarom niet-ontvankelijk. Hierdoor is het verzoek niet inhoudelijk beoordeeld en is er geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas en griffier F. Metz op 14 januari 2026. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.