Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6433

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
25/24265
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-betaling griffierecht en onbekend adres

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening ingediend tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning met als doel arbeid als zelfstandige. De voorzieningenrechter beoordeelt dit verzoek zonder zitting omdat het kennelijk niet-ontvankelijk is.

De kern van het niet-ontvankelijk verklaren ligt in het niet tijdig betalen van het griffierecht van €194,-. De griffier heeft verzoeker per aangetekende brief verzocht het griffierecht binnen twee weken te voldoen, maar deze brief is retour gekomen met de mededeling dat de geadresseerde onbekend is. Verder is verzoeker niet terug te vinden in de Basisregistratie personen, waardoor geen alternatief adres kon worden vastgesteld.

Verzoeker heeft geen verontschuldiging gegeven voor het niet betalen van het griffierecht. Bovendien blijkt uit een tweede ingediend verzoek dat verzoeker kennelijk een ander postadres hanteert zonder dit aan de rechtbank door te geven. De voorzieningenrechter concludeert dat het niet tijdig betalen van het griffierecht niet verontschuldigbaar is en verklaart het verzoek daarom niet-ontvankelijk. Er volgt geen inhoudelijke beoordeling en geen proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en onbekend adres van verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/24265

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], onbekende woon- of verblijfplaats, verzoeker

V-nummer: [nummer],
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een verblijfsvergunning met als doel ‘arbeid al zelfstandige’. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
1.2.
De minister heeft de aanvraag met het besluit van 9 december 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. [1] In een zaak als deze is het griffierecht € 194,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
Heeft verzoeker het griffierecht tijdig betaald?
2.1.
De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 6 januari 2026 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. De aangetekend verzonden brief is retour binnen gekomen bij de rechtbank met als reden dat de geadresseerde onbekend is. Het griffierecht is dus niet betaald.
2.2.
De rechtbank heeft in de Basisregistratie personen (Brp) gekeken of verzoeker een ander adres heeft waar de nota naar toe kan worden gezonden. Verzoeker is echter onbekend in de Brp.
Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
2.3.
Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. De rechtbank merkt op dat verzoeker een tweede voorlopige voorziening heeft ingediend tegen hetzelfde besluit waarin hij een ander (post)adres hanteert. Deze voorlopige voorziening is geregistreerd onder zaaknummer AWB 26/868. De rechtbank maakt hieruit op dat verzoeker kennelijk een ander postadres hanteert, zonder de rechtbank hiervan op de hoogte te stellen. Het doorgeven van een nieuw (post)adres is de verantwoordelijkheid van verzoeker. De retour gekomen post komt daarom voor rekening en risico van verzoeker. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N. Maas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit is geregeld in artikel 8:82 van Pro de Awb in samenhang met artikel 8:41 van Pro de Awb.