ECLI:NL:RBDHA:2026:6442

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
AWB 25/19985
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening inzake verblijfsvergunning afgewezen wegens ontbreken belang

Verzoekster, van Braziliaanse nationaliteit, heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning om bij haar partner in Nederland te verblijven. De minister heeft deze aanvraag afgewezen en bepaald dat verzoekster moet terugkeren naar Brazilië omdat zij geen verblijfsrecht heeft.

Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen zodat zij de behandeling van het beroep in Nederland mag afwachten en niet uitgezet mag worden. Vervolgens is verzoekster zelfstandig naar Brazilië vertrokken vanwege de ernstige ziekte van haar vader.

Daarna heeft zij aanvullend verzocht om toegang tot Nederland te verkrijgen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard omdat verzoekster niet meer in Nederland verblijft en daardoor geen belang meer heeft bij de gevraagde voorziening. Het aanvullende verzoek om toegang tot Nederland ligt niet ter beoordeling in deze procedure en verzoekster wordt geadviseerd contact op te nemen met de minister.

De voorzieningenrechter heeft de beslissing buiten zitting genomen en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 25/19985
V-nummer: [v nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] ,

geboren op [geboortedag] 1981, van Braziliaanse nationaliteit, verzoekster,
(gemachtigde: [persoon 1] ),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Samenvatting

Verzoekster heeft de Braziliaanse nationaliteit en woont samen met haar partner [persoon 2] [1] en hun dochter in [plaats] . Verzoekster heeft een aanvraag gedaan om een verblijfsvergunning, met als doel om bij haar partner te verblijven. [2] De minister heeft deze aanvraag afgewezen [3] en daarbij ook bepaald dat verzoekster moet terugkeren naar Brazilië. [4] Omdat verzoekster geen verblijfsrecht heeft, mag zij namelijk niet in Nederland zijn. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter gevraagd of zij de behandeling van het beroep in Nederland mag afwachten en dus te bepalen dat de minister haar niet mag uitzetten. Hierna is verzoekster zelfstandig naar Brazilië vertrokken, omdat haar vader ernstig ziek is. Omdat verzoekster op 7 maart 2026 terug wil vliegen naar Nederland, heeft zij de voorzieningenrechter aanvullend verzocht om te bepalen dat haar toegang wordt verleend tot Nederland. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. Omdat verzoekster zelfstandig is teruggekeerd naar Brazilië, is er namelijk geen belang meer voor het treffen van de gevraagde voorziening die ziet op het bepalen dat de minister verzoekster niet mag uitzetten. Verzoekster is immers niet meer in Nederland. Wat verzoekster aanvullend heeft gevraagd, namelijk te bepalen dat zij opnieuw wordt toegelaten tot Nederland, ligt hier niet ter beoordeling voor. Verzoekster dient contact op te nemen met de minister om toelating tot Nederland te verzoeken.

Procesverloop

1. Met het besluit van 18 september 2025 heeft de minister de aanvraag van verzoekster voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon 2] ’ afgewezen. Hiertegen heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoekster op 14 oktober 2025 de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
Met het besluit van 9 januari 2026 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. Ook heeft de minister besloten dat verzoekster geen verblijfsrecht meer heeft, dat zij niet meer in Nederland mag zijn en moet terugkeren naar Brazilië of een ander land waar zij bestendig verblijft heeft. Verzoekster heeft hiertegen op 22 januari 2026 beroep ingesteld. [5] Op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt het verzoek om een voorlopige voorziening daarom als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
1.2.
Met de brief van 26 februari 2026 heeft de gemachtigde van verzoekster de voorzieningenrechter aanvullend verzocht om te bepalen dat verzoekster weer wordt toegelaten tot Nederland. Uit de (bijlagen bij de) brief volgt dat verzoekster, samen met haar dochter, op 17 februari 2026 zelfstandig vanuit Portugal naar Brazilië is vertrokken, omdat haar vader ernstig ziek is.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft op maandag 3 maart 2026 aan de minister verzocht te reageren op het verzoek om een voorlopige voorziening. De minister heeft op 4 maart 2026 schriftelijk laten weten wegens prioritering niet in staat te zijn aan het verzoek van de voorzieningenrechter te voldoen.
1.4.
De voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting. [6]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
2.1.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. In deze voorzieningenprocedure heeft verzoekster de voorzieningenrechter gevraagd om te bepalen dat de minister verzoekster niet uitzet gedurende de behandeling van haar beroep. Maar omdat verzoekster zelfstandig is teruggekeerd naar Brazilië, is er geen belang meer bij het treffen van die gevraagde voorziening. Wat verzoekster aanvullend heeft gevraagd, namelijk te bepalen dat zij opnieuw wordt toegelaten tot Nederland, ligt hier niet ter beoordeling voor.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft oog voor de lastige en verdrietige situatie waarin verzoekster verkeert. Dat zij samen met haar dochter op bezoek wilde bij haar ernstig zieke vader, is te begrijpen. Maar omdat aan verzoekster een terugkeerbesluit is opgelegd en verzoekster zelfstandig Nederland moest verlaten, had zij de minister bijvoorbeeld moeten verzoeken om een terugkeervisum, zodat haar terugkeer naar Nederland geborgd zou zijn. Verzoekster dient daarom contact op te nemen met de minister om toelating tot Nederland te verzoeken.

Conclusie en gevolgen

3.
De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Verzoekster krijgt ook het griffierecht niet terug.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K. Mertens, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.De heer [persoon 2] is in het bezit van een Portugese verblijfsvergunning.
2.Ook de heer [persoon 2] heeft een aanvraag gedaan om een verblijfsvergunning (in het kader van arbeid als zelfstandige). Deze aanvraag is afgewezen en de minister heeft bepaald dat de heer [persoon 2] moet terugkeren naar Portugal. Het beroep en de voorlopige voorziening die hierop zien zijn geregistreerd onder zaaknummers AWB 26/1380 en AWB 25/19908.
3.En de afwijzing gehandhaafd bij de beslissing op bezwaar van 9 januari 2026.
4.Of een ander land waar verzoekster bestendig verblijf heeft.
5.Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer AWB 26/1381.
6.Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb.