ECLI:NL:RBDHA:2026:645

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
NL24.7267
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.92 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 8 Vreemdelingenwet 2000Besluit 1/80Paragraaf B10/4.4.1. Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier op grond van wedertoelating bevestigd

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd op grond van wedertoelating, welke door de minister is afgewezen. De rechtbank beoordeelt of deze afwijzing terecht is.

Eiser betoogt dat hij rechtmatig vijf jaar in Nederland heeft verbleven voor zijn negentiende levensjaar en dat Nederland het meest aangewezen land is. Tevens stelt hij rechten te ontlenen aan het Turks Associatierecht (Besluit 1/80) en voert hij bewijsnood aan. De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende objectief bewijs heeft geleverd van ononderbroken rechtmatig verblijf van vijf jaar vóór zijn negentiende levensjaar. Ook is onvoldoende onderbouwd dat Nederland het meest aangewezen land is, mede gelet op zijn langdurig verblijf en gezin in Turkije.

Verder is niet aangetoond dat eiser rechten heeft opgebouwd op grond van het Associatieverdrag, omdat hij niet heeft bewezen dat hij meer dan drie jaar legaal met zijn Turkse vader heeft samengewoond. De minister heeft terecht geoordeeld dat eventuele rechten zijn verloren door langdurige afwezigheid uit Nederland. De stelling van bewijsnood faalt omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij alles heeft gedaan om meer bewijs te verkrijgen.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het bestreden besluit. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag verblijfsvergunning regulier op grond van wedertoelating wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.7267

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd op grond van wedertoelating. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is
.Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd op grond van wedertoelating.
2.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 5 juli 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 februari 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. S. Raissi, als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft de minister eisers aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van wedertoelating terecht afgewezen?
3. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet voldoet aan artikel 3.92, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Eiser heeft verschillende bewijsstukken overlegd waaruit voldoende blijkt dat eiser vijf jaar rechtmatig heeft verbleven in Nederland voor zijn negentiende levensjaar. Niet in geschil is dat eiser een gezinslid is van een Turkse werknemer (vader) en meer dan vijf jaar rechtmatig in Nederland heeft samengewoond. De minister stelt zich ten onrechte op het standpunt dat het rechtmatig verblijf van de ouders van eiser aan te tonen is op basis van bewijsstukken, maar het rechtmatig verblijf van eiser niet. Eiser is van mening dat de minister dient te beschikken over de stukken waaruit blijkt dat eiser rechtmatig verblijf heeft gehad. De minister heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de verblijfsgeschiedenis van eiser. Eiser is in 1976 in Nederland geboren. Aan de ouders van eiser is een verblijfsvergunning verleend. Deze verblijfsvergunningen zijn in beginsel verlengd tot 1975 en vervolgens omgezet naar een C-document in 1978 en in 1983 vervangen door een A-document, inhoudende een verblijf voor onbepaalde tijd. De ouders van eiser zijn op 14 januari 1987 teruggekeerd naar het land van herkomst. Eiser heeft daarom van 1976 tot 1987 in Nederland verbleven. De minister heeft hier ten onrechte geen rekening mee gehouden. Daarnaast stelt de minister ten onrechte dat Nederland niet het meest aangewezen land is voor eiser. Eiser heeft namelijk elf jaar in Nederland verbleven, hetgeen voldoende is om een band op te bouwen met een land. Tot slot voert eiser aan dat hij tegen zijn wil is teruggekeerd naar Turkije en dat hij, indien hij de keus had gehad, niet naar Turkije zou zijn teruggekeerd.
3.1.
Op grond van artikel 3.92, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 kan de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd worden verleend aan de meerderjarige vreemdeling die:
a. voor het negentiende levensjaar tien jaren rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft gehad en wiens aanvraag is ontvangen voor het negenentwintigste levensjaar, of
b. voor het negentiende levensjaar vijf jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000, en voor wie Nederland naar het oordeel van de minister het meest aangewezen land is.
3.2.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser niet met objectieve bewijsmiddelen heeft aangetoond dat hij vóór zijn negentiende levensjaar ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland. Het rechtmatig verblijf van eiser voor ten minste vijf jaar valt niet af te leiden uit het dossier. Dit geldt ook voor de periode vanaf de geboorte van eiser in 1976, tot het vertrek van eiser in 1987. Het enkele feit dat eiser in 1976 in Nederland is geboren, een foto heeft overgelegd van de kleuterschool waar hij als kind op heeft gezeten, een geboorteregistratie van de gemeente Den Haag heeft overgelegd en de stelling dat hij in Nederland verzekerd was, acht de rechtbank onvoldoende om aan te tonen dat eiser voor zijn negentiende levensjaar ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland. Eiser heeft verder onvoldoende onderbouwd dat hij vanaf zijn geboorte tot het vertrek in 1987 rechtmatig verblijf heeft gehad. Daartoe heeft de minister terecht gesteld dat eiser bijvoorbeeld geen schoolrapporten of zwemdiploma’s heeft overgelegd. Een enkele klassenfoto en geboorteregistratie zijn daarvoor onvoldoende.
3.3.
De rechtbank oordeelt verder dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat Nederland niet het meest aangewezen land is voor eiser. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de minister bij deze beoordeling beoordelingsruimte heeft en dat de rechtbank dit oordeel dus enigszins terughoudend moet toetsen. [1] De minister heeft in het nadeel van eiser mogen meewegen dat eiser ruim 35 jaar in Turkije is blijven wonen. Niet is gebleken van een reden waarom eiser niet eerder een aanvraag voor een verblijfsvergunning heeft kunnen indienen. Dat eiser niet wist wat zijn rechten waren, heeft de minister onvoldoende kunnen vinden. De minister heeft hierbij kunnen betrekken dat eiser een arbeidsverleden van 27 jaar heeft bij de Turkse spoorwegen. Daar komt bij dat eiser in Turkije een gezin heeft gesticht. De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat eiser de jaren waarin hij gevormd is, zoals tijdens zijn middelbare schooltijd, in Turkije heeft doorgebracht. De minister heeft zich daarom niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat Nederland niet het meest aangewezen land is voor eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft eiser een recht op verblijf op grond van het Turks Associatierecht?
4. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser niet heeft aangetoond dat hij eventuele rechten heeft opgebouwd op grond van artikel 6 of Pro 7 van het Besluit 1/80. Eisers vader behoorde tot de legale arbeidsmarkt en eiser heeft meer dan drie jaar met hem samengewoond. Om deze reden heeft eiser ook rechten opgebouwd in het kader van voornoemd artikel.
4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft aangetoond dat hij rechten kan ontlenen aan het Associatieverdrag. Uit vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat in het kader van artikel 7 van Pro Besluit 1/80 rechten kunnen worden ontleend als eiser, zijnde een gezinslid, zich heeft gevoegd bij de Turkse werknemer en meer dan drie jaar legaal met deze werknemer samenwoont. [2] De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft aangetoond dat deze jurisprudentie op eiser van toepassing is, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij drie jaar legaal met zijn vader (zijnde een Turkse werknemer) heeft samengewoond in Nederland. Voor zover eiser wel rechten zou kunnen ontlenen aan het Besluit 1/80, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat deze rechten verloren zijn gegaan door het vertrek van eiser naar Turkije en de langdurige afwezigheid uit Nederland. Het feit dat eiser destijds ongeveer negen jaar oud was, maakt niet dat deze keuze niet voor zijn eigen rekening komt. Niet is gebleken dat eiser een gegronde reden heeft voor de langdurige afwezigheid uit Nederland. Uit paragraaf B10/4.4.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 volgt dat indien de vreemdeling rechten heeft opgebouwd op grond van artikel 6 of Pro artikel 7 van Pro het Besluit 1/80, deze rechten verloren gaan indien sprake is van afwezigheid uit Nederland bij in ieder geval twee jaar. De beroepsgrond slaagt niet.
Is er sprake van bewijsnood?
5. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte geen aanleiding ziet om te veronderstellen dat hij in bewijsnood verkeert. Eiser heeft niet meer documenten dan die hij al heeft overgelegd. Eiser is van mening dat het dossier van zijn ouders bekend moet zijn bij het archief van de minister en dat sprake is van een omkering van de bewijslast.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn beroep op bewijsnood niet voldoende heeft onderbouwd en ook niet heeft aangetoond dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van meer documenten. De enkele stelling van eiser dat de minister het dossier van de ouders van eiser bewaard zou moeten hebben, is hiervoor onvoldoende. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Göbel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.HvJEU 11 november 2004 Cetinkaya, ECLI:EU:C:2004:708.