Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd op grond van wedertoelating, welke door de minister is afgewezen. De rechtbank beoordeelt of deze afwijzing terecht is.
Eiser betoogt dat hij rechtmatig vijf jaar in Nederland heeft verbleven voor zijn negentiende levensjaar en dat Nederland het meest aangewezen land is. Tevens stelt hij rechten te ontlenen aan het Turks Associatierecht (Besluit 1/80) en voert hij bewijsnood aan. De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende objectief bewijs heeft geleverd van ononderbroken rechtmatig verblijf van vijf jaar vóór zijn negentiende levensjaar. Ook is onvoldoende onderbouwd dat Nederland het meest aangewezen land is, mede gelet op zijn langdurig verblijf en gezin in Turkije.
Verder is niet aangetoond dat eiser rechten heeft opgebouwd op grond van het Associatieverdrag, omdat hij niet heeft bewezen dat hij meer dan drie jaar legaal met zijn Turkse vader heeft samengewoond. De minister heeft terecht geoordeeld dat eventuele rechten zijn verloren door langdurige afwezigheid uit Nederland. De stelling van bewijsnood faalt omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij alles heeft gedaan om meer bewijs te verkrijgen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het bestreden besluit. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.