Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6453

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
NL25.15683
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:72 AwbArt. 157 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende beoordeling vrees onevenredige bestraffing in Gambia

Eiser, een Gambiaanse asielzoeker, werd door de minister afgewezen in zijn asielaanvraag vanwege brandstichting aan een overheidsgebouw en strafontduiking. Hij vreesde bij terugkeer een onevenredig zware straf, mede door zijn politieke achtergrond en vriendjespolitiek in Gambia.

De rechtbank oordeelt dat de minister geen deugdelijke, actuele beoordeling heeft gemaakt van de gestelde vrees voor een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro. De minister hield zich slechts bezig met de maximale straf voor het in brand steken van gras, terwijl eiser ook wordt vervolgd voor brandstichting met ernstige gevolgen en strafontduiking, wat zwaardere straffen kan opleveren.

Daarnaast heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met de politieke context en de mogelijke discriminatoire bestraffing. De rechtbank vernietigt het besluit en draagt de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de vrees voor onevenredige bestraffing adequaat wordt onderzocht. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen met een deugdelijke beoordeling van de vrees voor onevenredige bestraffing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.15683
[V-Nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

geboren op [geboortedag] 1999, van Gambiaanse nationaliteit,
(gemachtigde: mr. H. Loth),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staat het asielrelaas en onder 4 de motivering van het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of de minister de door eiser gestelde vrees voor onevenredige bestraffing in Gambia wegens brandstichting deugdelijk heeft beoordeeld. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 maart 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer [persoon] als tolk Mandinka en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij heeft op 24 juni 2024 met een groep jongens het hoge gras op een voetbalveld gesnoeid. Toen heeft eiser het overtollige gras in brand gestoken, ondanks waarschuwingen van zijn vrienden om dat niet te doen wegens de harde wind en de droogte. Daarbij sloeg het vuur over naar een nabijgelegen overheidsgebouw, een soort opslagruimte. Daar waren materialen, generatoren en kabels opgeslagen voor een project om in de toekomst eisers dorp van elektriciteit te voorzien. Toen eiser het gebouw in brand zag, is hij onmiddellijk naar huis gegaan. Hij kreeg telefonisch van zijn vriend te horen dat alles wat in het gebouw was opgeslagen in brand is gegaan. Vanuit daar is eiser direct opgehaald door zijn vriend, die hem op de motor naar Senegal heeft gebracht. Eiser is vervolgens via Marokko naar Nederland gevlogen en heeft hier asiel aangevraagd. Eiser wordt in Gambia gezocht voor brandstichting en strafontduiking. Hij vreest bij gedwongen terugkeer naar Gambia, mede vanwege zijn lidmaatschap van de UDP [1] en vriendjespolitiek in Gambia, onevenredig hard te worden gestraft.
Het bestreden besluit4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1. De identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Het veroorzaken van een brand in een overheidsgebouw.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat beide relevante elementen geloofwaardig zijn, maar dat ze geen grond vormen voor internationale bescherming. Eiser heeft zijn vrees dat hij bij terugkeer naar Gambia onevenredig zwaar gestraft zal worden voor het veroorzaken van de brand niet aannemelijk gemaakt. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.
Heeft de minister een deugdelijke beoordeling gemaakt van de door eiser gestelde vrees voor onevenredige bestraffing in Gambia?
5. Eiser voert onder verwijzing naar het arrest van het Hof [2] van 12 november 2024 in de zaak M.I. tegen Zwitserland [3] aan dat de minister niet aan zijn samenwerkingsplicht heeft voldaan. De minister heeft geen actuele beoordeling op basis van recente (landen)informatie gemaakt van de gestelde vrees voor een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro [4] . Eiser wordt in Gambia vervolgd wegens brandstichting aan een overheidsgebouw en strafontduiking. Hij heeft ter onderbouwing een arrestatiebevel overgelegd.
5.1.
De minister heeft in het verweerschrift het standpunt gehandhaafd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Gambia risico loopt op een onevenredig zware bestraffing. Eiser heeft tijdens het nader gehoor niet kunnen aangeven welke straf hem mogelijk boven het hoofd hangt. Zijn verklaringen over de duur van de celstraf zijn wisselend. [5] Van eiser mag worden verwacht dat hij enige kennis heeft over wat er in de Gambiaanse wet staat over brandstichting, vooral omdat de angst voor bestraffing de reden was om Gambia te verlaten en asiel aan te vragen in Nederland. Ook eisers verklaring dat hij zwaarder gestraft zal worden, wegens zijn werkzaamheden voor de UDP en omdat hij geen connecties heeft binnen de regeringspartij, mist een onderbouwing.
5.2.
Eiser heeft in beroep gewezen op het reisadvies op de website van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Daar staat dat sinds 2018 in Gambia een uitstel op de uitvoering van de doodstraf geldt, maar dat de doodstraf toch nog altijd officieel staat op een aantal misdaden zoals moord, verraad, mensenhandel en brandstichting.
5.3.
De minister heeft ter zitting hierop gereageerd dat dit reisadvies voor toeristen bedoeld is, dat de doodstraf inmiddels afgeschaft is met de nieuwe wetgeving ‘Criminal Offences Act 2025 [6] ’en dat op het door eiser gepleegde strafbare feit in Gambia een gevangenisstraf van veertien jaar staat. Dit is volgens de minister geen onevenredige bestraffing, nu daarvoor in Nederland een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaar staat en in Duitsland en Engeland als maximum een levenslange gevangenisstraf geldt.
5.4.
De rechtbank stelt voorop dat uitgangspunt is dat bescherming van het Vluchtelingenverdrag in beginsel niet met succes kan worden ingeroepen tegen een strafvervolging wegens verdenking van het plegen van een commuun delict, zoals in dit geval brandstichting. Dat kan anders zijn als de vreemdeling aannemelijk maakt dat er sprake is van discriminatoire vervolging of een dreigende onevenredige of discriminatoire bestraffing vanwege één van de gronden van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag. [7]
5.5.
De rechtbank stelt vast dat eiser tijdens het nader gehoor desgevraagd heeft verklaard dat hij denkt een gevangenisstraf van tien jaar of vijftien jaar te krijgen. [8] Maar als hierover wordt doorgevraagd verklaart eiser dat hij niet weet wat voor gevangenisstraf hem boven het hoofd hangt, want hij kent de wet niet. Ook verklaart hij dat de straf die men krijgt afhankelijk is van wie men is en wie men kent, omdat Gambia een corrupt land is. [9]
Dat van eiser mag worden verwacht te weten wat in de wet staat, zoals de minister stelt, volgt de rechtbank niet, mede gelet op eisers referentiekader (leeftijd, opleidingsniveau).
5.6.
Eiser heeft in beroep, naast verwijzing naar de informatie op de website van het ministerie van Buitenlandse Zaken over de doodstraf voor brandstichting, een arrestatiebevel overgelegd. Daarin staat dat eiser gezocht wordt voor
‘vermeende brandstichting, nalatigheid met als gevolg schade aan staats- en gemeenschapseigendom, en het ontduiken van strafvervolging. Eiser wordt dus vervolgd voor meerdere strafbare feiten. De minister heeft de juistheid van de inhoud van het arrestatiebevel niet betwist. Eiser heeft in beroep dus een onderbouwing gegeven van zijn vrees dat hij in Gambia onevenredig bestraft zal worden. Het is dan in eerste instantie aan de minister om zich ervan te vergewissen dat eiser bij een gedwongen terugkeer naar Gambia niet in een situatie in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM zal raken en vervolgens aan de rechtbank om die beoordeling van de minister vol te toetsen.
5.7.
De reactie van de minister ter zitting op eisers onderbouwing van de gestelde vrees is niet toereikend, alleen al omdat het enkel ziet op de maximaal op te leggen gevangenisstraf voor het door eiser gepleegde strafbare feit ‘het in brand steken van gras’ [10] . Eiser wordt echter, zoals uit zijn verklaringen en het arrestatiebevel blijkt, ook vervolgd voor brandstichting met als gevolg schade aan staats- en gemeenschapseigendom. Daar staat volgens artikel 283, onder a, van de Criminal Offences Act 2025 van Gambia levenslange gevangenisstraf op. Daar komt bij dat eiser vervolgd wordt voor het ontduiken van strafvervolging, wat als strafverzwarende omstandigheid een rol zou kunnen spelen in de straftoemeting. Dit heeft de minister niet bij de beoordeling betrokken. Eiser heeft daarnaast verklaard dat hij als lid van de oppositie en vanwege vriendjespolitiek in Gambia zwaarder gestraft zal worden dan anderen, dat leest de rechtbank niet terug in de beoordeling van de gestelde onevenredige bestraffing. De minister heeft dus niet alle feiten en omstandigheden van het specifieke geval in de beoordeling betrokken. Bij de beoordeling van dreigende onevenredige bestraffing is niet alleen de maximaal op te leggen gevangenisstraf voor de door eiser gepleegde strafbare feiten in Gambia vergeleken met Nederland en omringende landen relevant, maar ook welke straffen feitelijk in soortgelijke situaties in Gambia worden opgelegd vergeleken met Nederland en de omringende landen. Voor brandstichting als bedoeld in artikel 157, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht staat weliswaar een maximale gevangenisstraf van twaalf jaar, maar een op te leggen straf kan variëren van enkele maanden tot jaren, afhankelijk van de omstandigheden van het geval en de gevolgen van de brand (denk aan de mate van eventuele schade aan goederen dan wel gevaarzetting/gevaar voor personen). De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

6. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 (het zorgvuldigheidsbeginsel) en 3:46 (het motiveringsbeginsel) van de Awb [11] . De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag te nemen. Dit omdat de minister nader onderzoek moet doen naar de door eiser gestelde vrees voor onevenredige bestraffing in Gambia. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
6.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 13 maart 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De Verenigde Democratische Partij.
2.Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
3.ECLI:CE:ECHR:2024:1112.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.De minister wijst op de verklaringen van eiser op pagina’s 24 en 27 van het nader gehoor.
6.https://moj.gov.gm/wp-content/uploads/2025/07/Assent-Copy-Criminal-Offences-Act-2025-Passed-28th-March-2025.pdf
7.Dit volgt ook uit het door eiser aangehaalde arrest van het Hof van 12 november 2024 in de zaak M.I. tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2024:1112.
8.Pagina 24 van het nader gehoor.
9.Pagina 27 van het nader gehoor.
10.De minister verwijst naar artikel 285 (Setting fire to crops and growing plants) van de Criminal Offences Act, 2025, Gambia.
11.Algemene wet bestuursrecht.