Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6454

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
NL26.12351
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 59 VwArt. 94 VwArt. 5.1b VbRichtlijn 2008/115
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring in asielprocedure zonder Adrar-toets

Eiser, een Algerijnse asielzoeker, werd op 6 februari 2026 een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000, met als doel het verkrijgen van noodzakelijke gegevens voor de beoordeling van zijn asielaanvraag. Eiser stelde dat de maatregel onrechtmatig was omdat een beoordeling van het non-refoulement-beginsel ontbrak, verwijzend naar recente jurisprudentie (Arrest Adrar).

De rechtbank overwoog dat de maatregel niet was opgelegd met het oog op uitzetting, maar ter ondersteuning van de asielprocedure, waardoor de verplichting tot een Adrar-toets niet bestond. De rechtbank verwierp het beroep en oordeelde dat de gronden voor de bewaring zwaar en licht genoeg waren om het risico op onderduiken aan te nemen. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen.

De uitspraak benadrukt dat de Adrar-toets alleen vereist is bij bewaring met het oog op uitzetting, niet bij bewaring in het kader van een asielprocedure. De rechtbank sloot aan bij de uitleg van het Hof van Justitie van de EU en de Afdeling bestuursrechtspraak, en wees het beroep ongegrond. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.12351

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

(gemachtigde: mr. M. Smeulders).

Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 5 maart 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hierop op 11 maart 2026 gereageerd. De rechtbank heeft op 16 maart 2026 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1990.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Tevens heeft verweerder in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser (1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
3. De gemachtigde van eiser voert aan dat de maatregel reeds vanaf de oplegging onrechtmatig is. In de maatregel ontbreekt namelijk een kenbare beoordeling van het beginsel van non-refoulement, of dit zich niet tegen uitzetting van eiser verzet. Nu deze beoordeling ontbreek kan niet worden vastgesteld of er daadwerkelijk zicht op uitzetting bestaat. Ter ondersteuning wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling [1] van 12 februari 2026 [2] . De rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft in een uitspraak [3] de uitspraak van de Afdeling bevestigd. De maatregel is onrechtmatig en dient onmiddellijk te worden opgeheven.
4. De rechtbank overweegt het volgende.
5. De rechtbank overweegt dat uit het Unierecht volgt, zoals het Hof dit in haar arrest van 4 september 2025 in de zaak Adrar [4] heeft verduidelijkt, dat de bewaringsrechter, zo nodig ambtshalve, moet nagaan of de in artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn [5] genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement in de weg staan aan de uitvoering van het terugkeerbesluit. De Afdeling gaat in de uitspraak van 12 februari 2026 in op de gevolgen van het arrest Adrar voor de nationale rechter die de rechtmatigheid van de bewaring van een vreemdeling met het oog op diens uitzetting moet toetsen. Uit deze uitspraak volgt onder meer dat de bewaringsrechter moet beoordelen of verweerder op het moment van oplegging van de maatregel van bewaring, heeft beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich al dan niet tegen de uitzetting van de vreemdeling verzet.
5.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet was gehouden om een non-refoulement te beoordeling te doen. Verweerder stelt terecht dat de aangehaalde uitspraak van de Afdeling ziet op een maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Onderhavige maatregel van eiser is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vw nu eiser een asielaanvraag heeft ingediend. Verweerder stelt dan ook terecht dat de maatregel niet is opgelegd met het oog op uitzetting naar Algerije en dat tot de rechtbank heeft beslist op het ingediende beroepschrift en verzoek om een voorlopige voorziening niet aan de uitzetting zal worden gewerkt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval niet was gehouden om een Adrar-toets te doen nu er nog geen sprake is van uitzetting.
De verwijzing naar de uitspraak van zittingsplaats ’s-Hertogenbosch volgt de rechtbank niet nu het in de aangehaalde zaak ging om een maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
6. De rechtbank merkt ten overvloede nog op dat de gronden waarop de maatregel berust niet zijn bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de zware en lichte gronden en de daarbij gegeven motivering in onderlinge samenhang bezien reeds voldoende om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zal onderduiken en deze gronden kunnen de maatregel dan ook dragen.
7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is [6] , ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest of op dit moment onrechtmatig voortduurt. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van
N. Mekenkamp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.
3.Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 5 maart 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:1346 (niet gepubliceerd).
4.Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647
5.Richtlijn 2008/115
6.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.