Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet was gehouden om een non-refoulement te beoordeling te doen. Verweerder stelt terecht dat de aangehaalde uitspraak van de Afdeling ziet op een maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Onderhavige maatregel van eiser is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vw nu eiser een asielaanvraag heeft ingediend. Verweerder stelt dan ook terecht dat de maatregel niet is opgelegd met het oog op uitzetting naar Algerije en dat tot de rechtbank heeft beslist op het ingediende beroepschrift en verzoek om een voorlopige voorziening niet aan de uitzetting zal worden gewerkt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval niet was gehouden om een Adrar-toets te doen nu er nog geen sprake is van uitzetting.
De verwijzing naar de uitspraak van zittingsplaats ’s-Hertogenbosch volgt de rechtbank niet nu het in de aangehaalde zaak ging om een maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Beslissing
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
N. Mekenkamp, griffier.