Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6475

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
NL 24.42801
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing nareisaanvraag wegens onvoldoende motivering afhankelijkheid ouder en meerderjarige dochter

Eiseres, een 79-jarige Palestijnse vluchteling, diende een nareisaanvraag in nadat haar meerderjarige dochter en andere familieleden naar Nederland waren gereisd. De minister wees de aanvraag af met het standpunt dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestonden tussen eiseres en haar dochter. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de hulp en zorg die eiseres ontvangt van haar (klein)kinderen, die om-en-om naar Libanon reizen, geen bijkomend element van afhankelijkheid vormt.

De rechtbank weegt mee dat eiseres niet zelfstandig kan functioneren zonder hulp bij dagelijkse taken en medische afspraken, en dat de kleinzoon van haar zus sinds 2023 niet meer bij haar in Libanon woont. De minister heeft onvoldoende rekening gehouden met de emotionele en praktische afhankelijkheid, de gezinssituatie en de moeilijke omstandigheden waaronder eiseres leeft, waaronder het verlies van haar echtgenoot en het leven in vluchtelingenkampen.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit van de minister wegens onvoldoende motivering en beveelt een nieuw besluit binnen zes weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.42801
[V-Nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , geboren op [geboortedag] 1947, eiseres

(gemachtigde: mr. M.L. van Leer),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. E. Sweerts).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de nareisaanvraag van eiseres. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiseres ten onrechte heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde omstandigheden. Onder 4 staat het juridisch kader. Onder 5 staat het bestreden besluit. Onder 6 staat het standpunt van eiseres. Onder 7 staat de beoordeling door de rechtbank. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. De kleinzoon van eiseres heeft op 16 augustus 2016 namens eiseres een nareisaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag op 21 juli 2017 afgewezen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing. Met het besluit van 10 februari 2020 heeft de minister dit bezwaar ongegrond verklaard.
2.1.
Op 17 augustus 2020 heeft de minister het besluit van 10 februari 2020 ingetrokken. Op 7 september 2020 heeft de minister een nieuw besluit genomen op het bezwaar van eiseres en haar bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 7 september 2020. Deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem heeft dit beroep bij uitspraak van 3 september 2021 [1] gegrond verklaard, het besluit van 7 september 2020 vernietigd en de minister opgedragen opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen.
2.3.
De minister heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 3 september 2021. De Afdeling [2] heeft bij uitspraak van 6 mei 2024 [3] het hoger beroep gegrond verklaard. De Afdeling was het echter eens met het oordeel in de uitspraak van 3 september 2021, dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat er geen familieleven bestaat tussen eiseres en haar meerderjarige dochter [naam] . De Afdeling heeft de uitspraak van 3 september 2021 daarom niet vernietigd, zodat de minister alsnog opnieuw op het bezwaar van eiseres moest beslissen.
2.4.
Bij besluit van 7 oktober 2024 (hierna: het bestreden besluit) heeft de minister een nieuw besluit genomen op het bezwaar van eiseres en haar bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
2.5.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de dochter en kleinzoon van eiseres en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek na de zitting gesloten.
2.7.
Op 21 november 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en eiseres in de gelegenheid gesteld om aanvullende stukken in te dienen ter onderbouwing van haar standpunt dat de kleinzoon van haar zus niet langer bij haar in Libanon verblijft, als ook haar standpunt dat zij financieel afhankelijk is van haar (klein)kinderen. Eiseres heeft gebruik gemaakt van deze gelegenheid om aanvullende stukken in te dienen. De rechtbank heeft het onderzoek daarna gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond
3. De rechtbank gaat uit van de volgende omstandigheden.
3.1.
Eiseres is een 79-jarige Palestijnse vluchteling. Zij heeft zeven kinderen en tien kleinkinderen. Eiseres heeft lang in Syrië gewoond, net als haar kinderen en sommige van haar kleinkinderen. Toen eiseres 41 jaar was, is haar echtgenoot overleden door een geweldsdelict. Zij is nooit hertrouwd.
3.2.
Een van de kleinzoons van eiseres heeft in 2016 in Nederland een asielvergunning gekregen. Hij heeft een nareisaanvraag ingediend voor zijn ouders, broertjes, zusjes en voor eiseres. Alleen de aanvraag van eiseres is afgewezen. In 2017 zijn de overige familieleden naar Nederland gereisd op hun nareisvergunning.
3.3.
Vanaf 2017, toen de overige familieleden vertrokken, werd eiseres in Syrië ondersteund door een vriendin. In 2019 is eiseres vanuit Syrië naar Libanon gereisd om daar twee van haar in Nederland wonende dochters te ontmoeten. Eiseres is daarna in Libanon gebleven. Zij woonde in Libanon bij een kleinzoon van haar zus die haar ook verzorgde. Volgens eiseres is deze kleinzoon in 2023 naar Turkije gegaan en verblijft zij sindsdien helemaal alleen in Libanon. Haar (klein)kinderen, die verspreid wonen over Nederland, Duitsland, Libië en Algerije, bezoeken haar om-en-om in Libanon, om haar te verzorgen en te helpen.
Juridisch kader
4. Uit vaste rechtspraak van het Hof [4] volgt dat van (beschermingswaardig) gezinsleven tussen een ouder en een meerderjarig kind kan worden gesproken als tussen die ouder en dat meerderjarige kind bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan (‘additional elements of dependence’) [5] die resulteren in een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (‘more than normal emotional ties’) [6] .
4.1.
Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt verder dat de vraag naar het bestaan van bijkomende elementen van afhankelijkheid en daarmee een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, een vraag van feitelijke aard is. Het antwoord op die vraag is afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. [7] De minister heeft dit ook onderkend in haar beleid. [8] De minister betrekt bij de beoordeling van deze feitelijke vraag de volgende elementen: eventuele samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkenen en de banden met het land van herkomst. [9]
Het bestreden besluit
5. De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat er tussen eiseres en [naam] geen familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM bestaat. Er zijn namelijk geen bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en haar dochter.
5.1.
Eiseres en [naam] hebben niet steeds samengewoond voorafgaand aan het vertrek van [naam] uit Syrië. De periodes waarin zij wel samenwoonden kwamen niet voort uit de omstandigheid dat eiseres feitelijk afhankelijk was [naam] , maar eerder uit de omstandigheid dat eiseres [naam] hielp met haar gezin.
5.2.
Verder is niet gebleken dat eiseres praktisch afhankelijk is van [naam] of niet zonder haar kan functioneren. Eiseres woont al zeven jaar apart van [naam] . Zij heeft zich blijkbaar al die tijd staande kunnen houden in Libanon met hulp van haar netwerk daar. De minister volgt eiseres niet in haar stelling dat de kleinzoon van haar zus naar Turkije is vertrokken. Eiseres heeft deze stelling namelijk niet onderbouwd met stukken. Ook is niet aangetoond dat eiseres niet terug kan naar Syrië om daar opgevangen te worden door haar sociale netwerk, of dat zij daar geen toegang heeft tot zorgalternatieven.
5.3.
Daarnaast is niet gebleken dat eiseres volledig financieel afhankelijk is van [naam] . Eiseres heeft verklaard dat zij niet alleen van [naam] , maar ook van haar andere kinderen financiële steun ontvangt. Eiseres heeft de financiële steun, die zij stelt te ontvangen, niet met stukken onderbouwd, maar hoe dan ook is eiseres blijkbaar niet exclusief van [naam] afhankelijk.
5.4.
Eiseres heeft ook geen ernstige medische klachten die haar in praktische zin hulpbehoevend maken. Zij heeft toegang tot medische zorg in Libanon. De Afdeling heeft bovendien in haar uitspraak van 6 mei 2024 geoordeeld dat de minister mocht vinden dat de mantelzorgsituatie van eiseres in Libanon kan blijven voortduren, al dan niet met (financiële) hulp vanuit het buitenland.
5.5.
Tot slot zijn de banden van eiseres met Syrië sterker dan met Nederland.
Standpunt van eiseres
6. Eiseres voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan tussen haarzelf en [naam] .
6.1.
Eiseres en [naam] hebben voor [naam] ’s vertrek altijd dicht bij elkaar gewoond. Zij hebben in dezelfde woning gewoond en daarna in hetzelfde appartementencomplex. Na een bombardement op het vluchtelingenkamp heeft de familie nieuwe woningen moeten betrekken. Toen leefde eiseres inderdaad enige tijd niet bij [naam] , maar bij haar andere kinderen. Eiseres heeft in ieder geval nooit alleen gewoond.
6.2.
Ook nu nog reizen [naam] en de andere (klein)kinderen om-en-om naar Libanon om eiseres te helpen en te verzorgen. Zonder deze hulp kan eiseres zich niet staande houden. De kleinzoon van de zus van eiseres is in augustus 2023 naar Turkije vertrokken en woont nu daar, zodat eiseres helemaal alleen in Libanon verblijft. Eiseres wijst ter onderbouwing van het vertrek van de kleinzoon op de aanvullende stukken die zij in beroep heeft overgelegd. Eiseres kan niet meer terugkeren naar Syrië, aangezien zij Syrië in 2019 illegaal heeft verlaten. Bij terugkeer zal zij hier problemen van ondervinden. Daarnaast kent eiseres niemand meer in Syrië. Zij heeft het grootste deel van haar leven in een vluchtelingenkamp gewoond dat inmiddels volledig is verwoest. Zij heeft geen contact meer met mensen die zij kende uit dat kamp. Al haar kinderen en kleinkinderen zijn weg uit Syrië. Eiseres ziet niet in welk netwerk of zorgalternatief er voor haar zou zijn in Syrië.
6.3.
Eiseres is daarnaast ook in financiële zin afhankelijk van [naam] en haar andere (klein)kinderen. Zij nemen contant geld voor eiseres mee als zij naar Libanon gaan. Zij durven geen geld naar eiseres over te maken, omdat eiseres kwetsbaar is en zij bang zijn dat eiseres beroofd wordt als zij daar geld pint. Omdat de kinderen contant geld aan haar geven, is het niet mogelijk voor eiseres deze financiële steun met documenten te onderbouwen.
6.4.
Verder is de gezondheid van eiseres de afgelopen periode achteruitgegaan. Eiseres kan niet zonder hulp naar haar doktersafspraken. Haar kinderen moeten steeds afreizen naar Libanon om eiseres te begeleiden. Zij moeten haar ook helpen met praktische dagelijkse taken als koken. Het klopt dat de Afdeling in haar uitspraak van 6 mei 2024 heeft geoordeeld dat de mantelzorgsituatie in Libanon voort kan blijven bestaan, maar de situatie waar de Afdeling van uitging was dat de kleinzoon van de zus van eiseres bij haar woonde en haar verzorgde. Sinds hij naar Turkije is vertrokken, is eiseres alleen in Libanon en is er niemand die haar daar (permanent) mantelzorg kan bieden.
6.5.
De minister stelt zich tot slot ten onrechte op het standpunt dat de banden van eiseres met Syrië sterker zijn dan met Nederland, omdat aangenomen mag worden dat zij daar nog een sociaal netwerk heeft. Eiseres heeft het grootste deel van haar leven in een vluchtelingenkamp gewoond dat nu volledig verwoest is. Iedereen die zij daar kende, is gevlucht. Zij heeft geen familieleden meer in Syrië. De minister werpt daarom ten onrechte aan eiseres tegen dat haar banden met Syrië sterker zijn dan met Nederland.
Heeft de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan tussen eiseres en [naam] ?
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan tussen eiseres en [naam] .
7.1.
De rechtbank betrekt bij dat oordeel met name de omstandigheid dat de (klein)kinderen van eiseres, waaronder [naam] , om-en-om afreizen naar Libanon voor eiseres. Op de zitting hebben de dochter, de kleinzoon en de gemachtigde van eiseres verklaard dat één van de (klein)kinderen steeds voor drie weken bij eiseres verblijft omdat eiseres niet meer goed voor zichzelf kan zorgen. Zij kan niet lang staan, zelfstandig boodschappen doen, voor zichzelf koken of zelfstandig naar doktersafspraken gaan. De minister heeft in het bestreden besluit deze hulpverlening door de (klein)kinderen aangenomen. De gemachtigde van de minister heeft tijdens de zitting geen ander standpunt ingenomen of de verklaringen over de hulpverlening betwist. De rechtbank neemt deze hulpverlening dan ook aan. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet de rechtbank niet in waarom deze vele reisbewegingen door de (klein)kinderen om voor [naam] te zorgen geen bijkomend element van afhankelijkheid opleveren. Uit de door de minister aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024 [10] volgt weliswaar dat het moeilijk denkbaar is dat bijkomende elementen van afhankelijkheid op afstand kunnen ontstaan, maar ook dat dit niet onmogelijk is. De minister neemt bovendien ook aan dat eiseres zich dankzij de hulp van [naam] en de andere (klein)kinderen, die op afstand wonen, staande kan houden. De stelling van de minister, dat de hulpverlening door [naam] en de andere (klein)kinderen vanaf een afstand kan blijven plaatsvinden, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende motivering voor het standpunt dat deze hulpverlening geen bijkomend element van afhankelijkheid oplevert.
7.2.
De rechtbank betrekt bij haar oordeel ook in het bijzonder de omstandigheid dat de kleinzoon van de zus van eiseres niet langer bij haar in Libanon verblijft. De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres hier geen onderbouwing voor heeft gegeven. In beroep heeft eiseres echter een kopie overgelegd van het paspoort van de kleinzoon van haar zus, met daarin een stempel waaruit volgt dat hij op 5 augustus 2023 Turkije is ingereisd. Ook heeft zij een foto van zijn
kimlik(Turks verblijfsdocument) overgelegd en een foto van een verklaring van hem, waarin hij verklaart dat hij sinds 5 augustus 2023 in Turkije verblijft en niet meer is teruggekeerd naar Libanon. De rechtbank ziet in deze stukken voldoende onderbouwing voor de verklaringen van eiseres dat de kleinzoon van haar zus niet langer bij haar in Libanon verblijft. De stelling van de minister dat aangenomen mag worden dat eiseres in Syrië kan terugvallen op een sociaal netwerk of andere zorgalternatieven, acht de rechtbank niet overtuigend, gelet op wat eiseres hierover heeft verklaard.
7.3.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de minister de omstandigheden waardoor het gezin van eiseres is gevormd onvoldoende kenbaar heeft betrokken bij de vraag of emotionele afhankelijkheid tussen eiseres en [naam] een bijkomend element van afhankelijkheid oplevert. De minister stelt op pagina 9 van het bestreden besluit:

De echtgenoot van betrokkene is ruim 30 jaar geleden op 46-jarige leeftijd overleden. Hij was huisarts en is doodgeschoten door een patiënt. Betrokkene stond er daarna helemaal alleen voor in de opvoeding en verzorging van haar zeven kinderen, waarvan de jongste net een jaar was geworden. (…). Hoewel begrepen wordt dat u elkaar mist en het lastig is, dat betrokkene als oudere vrouw in Libanon verblijft, maakt dit niet dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. In dit kader is relevant, dat betrokkene en u zich al zeven tot tien jaar zonder elkaar staande houden. Daarom kan ik niet concluderen dat er een zodanige emotionele afhankelijkheid is dat betrokkene zonder uw fysieke nabijheid niet kan functioneren.”
De minister hanteert ten onrechte als toets dat niet is gebleken dat eiseres zonder de fysieke nabijheid van [naam] niet kan functioneren. Dit is geen vereiste voor de vraag of er een meer dan gebruikelijke emotionele afhankelijkheid bestaat. Verder doet de minister, door enkel te stellen dat het ‘begrijpelijk is dat u elkaar mist’, geen recht aan de omstandigheden van het geval. De echtgenoot van eiseres is op jonge leeftijd door een geweldsdelict om het leven gekomen. Eiseres was toen 41 en bleef achter met zeven jonge kinderen. Zij is nooit hertrouwd en heeft altijd in verschillende samenstellingen bij haar (klein)kinderen gewoond, waaronder [naam] . De familie heeft altijd in een vluchtelingenkamp gewoond, waarbinnen zij zich ten minste één keer hebben moeten verplaatsen wegens bombardementen. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, ziet de rechtbank niet in waarom deze context geen bijkomend element van afhankelijkheid oplevert.
7.4.
Verder acht de rechtbank van belang dat eiseres zes jaar af-en-aan met [naam] heeft samengewoond, voordat [naam] vertrok naar Nederland. De rechtbank kan het standpunt van de minister, dat eiseres en [naam] in die periode niet steeds hebben samengewoond, in beginsel volgen. De rechtbank is echter van oordeel dat de minister zich ten onrechte alleen heeft gericht op de periode waarin [naam] en eiseres onder hetzelfde dak woonden. Op de momenten dat zij niet onder hetzelfde dak woonden, woonden zij wel steeds dicht bij elkaar in de buurt, op een gegeven moment zelfs in hetzelfde appartementencomplex. De minister heeft deze omstandigheid wel genoemd, maar uit het bestreden besluit blijkt niet dat deze omstandigheid ook kenbaar bij de besluitvorming is betrokken.
7.5.
Ten aanzien van de financiële afhankelijkheid stelt de rechtbank vast dat deze niet met nadere stukken is onderbouwd. De rechtbank acht de verklaringen hierover van eiseres echter niet onaannemelijk.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag van eiseres te nemen. Dit omdat de bevoegdheid hiertoe in de eerste plaats bij de minister ligt.
8.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van zes weken.
8.2.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht van € 187,- aan eiseres vergoeden. Ook moet de minister aan eiseres een vergoeding van haar proceskosten betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op zitting en 0,5 punt voor het indienen van nadere stukken, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 7 oktober 2024;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden;
- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiseres moet vergoeden tot een bedrag van € 2.335,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.A. Hollander, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummer AWB 20/7391.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Zaaknummer 202106249/1/V1.
4.Europese Hof voor de Rechten van de Mens.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Hof van 12 januari 2010, ECLI:CE:ECHR:2010:0112JUD004748606 (Khan t. het Verenigd Koninkrijk), onder 32.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Hof van 5 juli 2007, ECLI:CE:ECHR:2005:0705JUD004641099 (Üner t. Nederland), onder 44.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Hof van 17 januari 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0117JUD000159806 (Kopf en Liberda t. Oostenrijk), onder 35.
8.Zie paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
9.Werkinstructie 2020/16, paragraaf 3.4.