6.3.Het oordeel van de rechtbank
[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 27.485,- te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 9.985,14 aan materiële schade (€ 2.206,- voor kapotte bril(lenglazen), € 167,99 voor beschadigde kleding, € 760,- voor kosten huishoudelijke hulp, € 29,19 voor reis- en parkeerkosten en € 6.821,96 aan verlies van verdienvermogen) en € 17.500,- aan immateriële schade.
De gevorderde bedragen voor vergoeding van de kosten van de bril en de kleding zijn namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd en onvoldoende betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze schade rechtstreeks heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van de gevorderde bedragen (€ 2.206,- voor de bril en € 167,99 voor de kleding). In zoverre is de vordering wat betreft de gevorderde materiële schade toewijsbaar.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de navolgende materiële schadeposten het volgende.
De benadeelde partij heeft reis- en parkeerkosten gevorderd voor het bezoeken van het ziekenhuis LUMC en de huisartsenpraktijk. Voor zover het gaat om het bezoeken van het LUMC op 28 november 2025 en de huisartsenpraktijk op 4 februari 2026 zijn deze vorderingen onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze schade rechtstreeks heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van de gevorderde bedragen (€ 1,10 + € 2,11 + € 4,16 + € 4,16 aan reiskosten en € 12,50 aan parkeerkosten, in totaal € 24,03).
Voor zover de vordering ziet op reis- en parkeerkosten voor een bezoek aan de huisartsenpraktijk op 26 januari 2026, blijkt van dit bezoek niet uit de overgelegde stukken, zodat de rechtbank dit deel van de vordering zal afwijzen.
Kosten huishoudelijke hulp
De benadeelde partij heeft de door hem ondervonden beperkingen als gevolg van het bewezen verklaarde feit en de daaraan gerelateerde uitval in het huishouden, niet onderbouwd. De rechtbank kan een causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en het (gestelde) gevolg van noodzakelijke huishoudelijke hulp daarom niet vaststellen. De verdediging heeft ook betwist dat deze kosten zijn gemaakt.
De rechtbank zal het gedeelte van de vordering dat ziet op kosten huishoudelijke hulp bij gebrek aan het stellen van voldoende feiten ter onderbouwing hiervan en nu dit deel namens de verdachte is betwist, afwijzen.
Verlies van verdienvermogen
Door de benadeelde partij is onvoldoende onderbouwd dat hij in genoemde periode niet in staat was om te werken. Naar het oordeel van de rechtbank kan een causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en gestelde verloren verdienvermogen dan ook niet vaststellen. De verdediging heeft betwist dat sprake is geweest van verlies aan verdienvermogen.
De rechtbank zal dit deel van de vordering bij gebrek aan het stellen van voldoende feiten ter onderbouwing hiervan en nu dit deel namens de verdachte is betwist, afwijzen.
Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd en de ‘Rotterdamse schaal’ (een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen), zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.000,-.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 3.398,02, bestaande uit € 2.398,02 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 28 november 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Voor het meer of anders gevorderde wijst de rechtbank de vordering tot schadevergoeding af.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten voor bovengenoemde benadeelde tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.398,02, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever] .