ECLI:NL:RBDHA:2026:6489

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
09/324160-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36f SrArt. 45 SrArt. 287 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag met mes in openbare ruimte

Op 28 november 2025 stak de verdachte tijdens een vechtpartij op een parkeerplaats in Leiden met een mes in de richting van de nek/schouder van het slachtoffer, waarbij het slachtoffer gewond raakte. De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte met voorwaardelijk opzet handelde, bewust de aanmerkelijke kans aanvaardend dat het slachtoffer zou overlijden.

De verdediging voerde vrijspraak aan wegens gebrek aan opzet en stelde noodweer(exces) en putatief noodweer(exces) als verweren, maar deze werden verworpen omdat de verdachte de confrontatie opzocht en zich voorbereidde op geweld. De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van een noodweersituatie.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 24 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, rekening houdend met de ernst van het feit, de omstandigheden, het strafblad van de verdachte en het aandeel van het slachtoffer in het conflict.

De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd deels toegewezen tot een bedrag van €3.398,02, bestaande uit materiële en immateriële schade, met wettelijke rente vanaf de datum van het incident. De rechtbank wees de overige schadeposten af wegens onvoldoende onderbouwing.

Tot slot werd het mes dat als bewijs was ingenomen verbeurd verklaard. Verzoeken tot schorsing van voorlopige hechtenis werden afgewezen. Het vonnis werd uitgesproken op 25 maart 2026 door de rechtbank Den Haag.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, en gedeeltelijke toewijzing van schadevergoeding.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/324160-25
Datum uitspraak: 25 maart 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1968 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in PI [plaats] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 12 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Polderman en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A.D. Kloosterman naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdachte wordt ervan verdacht dat hij op 28 november 2025 te Leiden met een mes in de richting van de nek/schouder van [aangever] (hierna: [aangever] ) heeft gestoken. Dit is ten laste gelegd als een poging doodslag althans als een poging tot zware mishandeling.
De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde poging tot doodslag van [aangever] .
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, nu geen sprake is geweest van vol opzet en evenmin van voorwaardelijk opzet op het overlijden van [aangever] , dan wel op het hem toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring
De rechtbank acht de (impliciet primair) ten laste gelegde poging tot doodslag van [aangever] wettig en overtuigend bewezen, zoals hieronder nader zal worden gemotiveerd.
De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
Op 28 november 2025 is er op de parkeerplaats van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) in Leiden een vechtpartij geweest tussen de verdachte en [aangever] . [aangever] heeft aangifte gedaan. Hij is gewond geraakt: uit de geneeskundige verklaring volgt dat hij een steekwond op de borstkas onder zijn linkersleutelbeen en in zijn linker bovenbeen heeft opgelopen. De verdachte heeft verklaard dat hij een mes in zijn jaszak heeft gedaan toen hij zag dat [aangever] zijn auto naast zijn auto parkeerde, maar dat hij zich niet kan herinneren dat hij [aangever] daarmee vervolgens ook heeft gestoken. Getuige [getuige 1] – de leerlinge van de verdachte die op het moment van de vechtpartij nog in diens lesauto zat – heeft verklaard dat zij heeft gezien dat de verdachte [aangever] met dat mes heeft gestoken.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 28 november 2025 in Leiden [aangever] met een mes heeft gestoken en hem daarbij heeft verwond.
(Voorwaardelijk) opzet
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het handelen van de verdachte kan worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag. Om tot een bewezenverklaring van de (impliciet) primair ten laste gelegde poging tot doodslag te komen, moet worden bewezen dat de verdachte opzet had op de dood van [aangever] , al dan niet in voorwaardelijke zin.
De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de verdachte met zijn handelen tot doel had om [aangever] van het leven te beroven. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen bewijs voor vol opzet op de dood van [aangever] bij de verdachte.
De rechtbank moet derhalve vervolgens beoordelen of sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood van [aangever] . Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. De aard van het gevolg (het opgelopen letsel) is daarbij niet bepalend.
De verklaringen van de verdachte bieden geen aanknopingspunten om vaststellingen te doen met betrekking tot het willen en weten ten tijde van het toegepaste geweld, voor zover het gaat om de dood van de aangever als beoogd resultaat. Dat betekent dat de uiterlijke verschijningsvorm de maatstaf is. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het behoudens contra-indicaties niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijk kans op de dood heeft aanvaard.
De rechtbank overweegt dat de verdachte het mes uit zijn jaszak heeft gepakt en daarmee stekende bewegingen heeft gemaakt tijdens een worsteling met aangever. Dit volgt zowel uit de verklaringen van de leerling van de verdachte zelf als van die van [aangever] . Getuige [getuige 1] heeft gezien dat de verdachte het mes tijdens de worsteling uit zijn jaszak pakte en begon met steken. Getuige [getuige 2] heeft weliswaar niet verklaard over een mes, maar heeft wel de vechtpartij tussen de verdachte en aangever gezien en heeft ook gezien dat aangever na de vechtpartij veel bloed op zijn shirt had ter hoogte van zijn kraag. De verdachte heeft stekende bewegingen met een mes gemaakt in een dynamische, ongecontroleerde situatie. Daarvoor acht de rechtbank van belang dat sprake was van een vechtpartij en dat de verdachte [aangever] zowel in zijn bovenlichaam als in zijn onderlichaam heeft geraakt; de verdachte heeft kennelijk ook zichzelf met het mes verwond aan zijn been. Bovendien zegt de verdachte zelf dat het hem zwart voor de ogen werd (het beeld werd zwart) en hij zich niets meer kan herinneren, hetgeen de ongecontroleerdheid van zijn handelen onderstreept.
Door aldus onder die omstandigheden te handelen, bestond de reële kans dat de verdachte met zijn mes een vitaal lichaamsdeel van aangever zou raken. Dat de verdachte de aangever niet in zijn hals, maar op zijn borstkas onder zijn sleutelbeen heeft geraakt, moet dan ook worden gezien als een geluk bij een ongeluk en kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden toegeschreven aan het handelen van de verdachte. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich op die plek, nabij de nek en in de richting van de schouder, vitale slagaders en bloedvaten bevinden en dat, naar algemene ervaringsregels, een messteek in dit gebied levensbedreigend kan zijn. Bovendien had de verdachte aangever evengoed een ander vitaal lichaamsdeel kunnen raken.
Het handelen van de verdachte is naar de uiterlijke verschijningsvorm dan ook zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. Dat niet kon worden vastgesteld met hoeveel kracht er met het mes is gestoken, doet niet aan deze conclusie af, nu ook door een messteek met geringe kracht in de hals de aanmerkelijke kans aanwezig was dat een vitaal lichaamsdeel zou worden geraakt.
Er zijn ook overigens geen contra-indicaties die nopen tot de conclusie dat de verdachte die aanmerkelijke kans op dodelijk letsel niet bewust heeft aanvaard.
De rechtbank acht aldus bewezen dat de verdachte opzet had, in voorwaardelijke zin, op de dood van [aangever] .
3.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank is van oordeel dat het (impliciet) primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:
hij op 28 november 2025 te Leiden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [aangever] van het leven te beroven,
doormet een mes in de richting van de nek/schouder van die [aangever]
te steken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de verdachte

Beroep op noodweer(exces)
De verdediging beroept zich op noodweer(exces). Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat de verdachte een geslaagd beroep op putatief noodweer(exces) toekomt.
De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer vereist is dat sprake is
van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed.
De rechtbank staat voor de vraag of hieraan is voldaan. Zowel de verdachte als [aangever] heeft verklaard dat zij een conflict hadden. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de verdachte, nadat hij had gezien dat [aangever] zijn auto naast de zijne parkeerde en uitstapte, een mes bij zich heeft gestoken, is uitgestapt en naar [aangever] gelopen is. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zichzelf hiermee in een dreigende situatie heeft gebracht, terwijl hij zich daarvan ook had kunnen distantiëren. Hij hoefde niet uit te stappen en had bijvoorbeeld ook weg kunnen rijden. In plaats daarvan is hij de confrontatie met [aangever] aangegaan en heeft hij zich – blijkens het bij zich steken van het mes – voorbereid op het plegen van geweld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in de gegeven omstandigheden geen sprake is geweest van een noodweersituatie.
Er was, met andere woorden, naar het oordeel van de rechtbank geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Het beroep op noodweer wordt verworpen en daarmee ook het beroep op noodweerexces.
De inhoud van het dossier biedt ook geen aanknopingspunten voor het bestaan van een putatieve noodweersituatie, nu er geen aanknopingspunten zijn op grond waarvan geoordeeld kan worden dat de verdachte (abusievelijk) redelijkerwijs mocht veronderstellen dat er van een noodweersituatie sprake was. Daarom verwerpt de rechtbank eveneens het beroep op putatief noodweer(exces).
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar en de verdachte is strafbaar, omdat er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten.

5.De strafoplegging

5.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het (impliciet) primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
5.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van de ten laste gelegde poging doodslag dan wel poging zware mishandeling, te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het reeds ondergane voorarrest, eventueel aangevuld met een taakstraf.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft tijdens een worsteling [aangever] met een mes richting zijn nek/schouder gestoken. De verdachte heeft met zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dat het opgelopen letsel achteraf is meegevallen, omdat de messteek bij of op het bot van het sleutelbeen van aangever is terechtgekomen, is toeval. Het steken gebeurde in de openbare ruimte, op de parkeerplaats van het examencentrum van het CBR te Leiden, overdag, en ten overstaan van getuigen, onder wie rijschoolleerlingen en andere rij-instructeurs. De verdachte heeft als rij-instructeur een zekere voorbeeldfunctie voor zijn rijschoolleerlingen. Het in hun bijzijn aangaan van een fysieke confrontatie (met een andere rijschoolhouder) past daarbij niet. Het moet voor de aanwezige leerlingen een heftige aanblik zijn geweest, met mogelijk gevoelens van onveiligheid tot gevolg. Een delict als het onderhavige leidt ook meer in algemene zin tot maatschappelijke onrust. Ter zitting heeft de verdachte, ook daarnaar gevraagd, niet laten zien dat hij beseft of inziet hoe ernstig zijn gedragingen zijn geweest. Aan dit alles kent de rechtbank zwaarwegende betekenis toe bij haar strafoplegging.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 24 februari 2026. Zijn laatste veroordeling betreft een winkeldiefstal, gepleegd in 2022.
Reclasseringsadvies
De verdachte heeft geweigerd mee te werken aan de opstelling van een reclasseringsrapport, blijkens de retourzending van de opdracht voor een reclasseringsadvies van 30 januari 2026. De verdachte heeft bij een eerdere (onherroepelijke) veroordeling in 2022 bijzondere voorwaarden opgelegd gekregen, waaronder verplichte (ambulante) behandeling.
Strafoplegging
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is gepleegd, en het strafblad van de verdachte, niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan oplegging van een straf die een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank acht de ernst van het feit zo zwaarwegend dat, anders dan de verdediging heeft bepleit, niet kan worden volstaan met een straf waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.
De rechtbank zal echter een lagere straf opleggen dan de officier van justitie heeft gevorderd. Daartoe zie zij in het bijzonder aanleiding gelet op het aandeel van [aangever] zelf in het geheel: ook [aangever] is de gewelddadige confrontatie niet uit de weg gegaan. De rechtbank zal dat aspect, meer dan de officier van justitie (kennelijk) heeft gedaan, meenemen in de strafoplegging.
De rechtbank, acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden. Zij zal een gedeelte hiervan, te weten 6 maanden, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren. De voorwaardelijke straf dient ertoe om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw een strafbaar feit te plegen, temeer nu niet is gebleken dat het lopende conflict tussen hem en de aangever is geëindigd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank wijst het verzoek om opheffing van de voorlopige hechtenis af omdat artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering, gelet op de op te leggen straf, niet aan de orde is.

6.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

6.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie concludeert tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met toewijzing van de gevorderde wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging vindt dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, primair gelet op de bepleite vrijspraak, subsidiair aangezien de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en meer subsidiair omdat de vordering aanzienlijk dient te worden gematigd vanwege de eigen bijdrage van de benadeelde in het ontstaan van de schade.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 27.485,- te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 9.985,14 aan materiële schade (€ 2.206,- voor kapotte bril(lenglazen), € 167,99 voor beschadigde kleding, € 760,- voor kosten huishoudelijke hulp, € 29,19 voor reis- en parkeerkosten en € 6.821,96 aan verlies van verdienvermogen) en € 17.500,- aan immateriële schade.
De gevorderde bedragen voor vergoeding van de kosten van de bril en de kleding zijn namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd en onvoldoende betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze schade rechtstreeks heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van de gevorderde bedragen (€ 2.206,- voor de bril en € 167,99 voor de kleding). In zoverre is de vordering wat betreft de gevorderde materiële schade toewijsbaar.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de navolgende materiële schadeposten het volgende.
Reis- en parkeerkosten
De benadeelde partij heeft reis- en parkeerkosten gevorderd voor het bezoeken van het ziekenhuis LUMC en de huisartsenpraktijk. Voor zover het gaat om het bezoeken van het LUMC op 28 november 2025 en de huisartsenpraktijk op 4 februari 2026 zijn deze vorderingen onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze schade rechtstreeks heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van de gevorderde bedragen (€ 1,10 + € 2,11 + € 4,16 + € 4,16 aan reiskosten en € 12,50 aan parkeerkosten, in totaal € 24,03).
Voor zover de vordering ziet op reis- en parkeerkosten voor een bezoek aan de huisartsenpraktijk op 26 januari 2026, blijkt van dit bezoek niet uit de overgelegde stukken, zodat de rechtbank dit deel van de vordering zal afwijzen.
Kosten huishoudelijke hulp
De benadeelde partij heeft de door hem ondervonden beperkingen als gevolg van het bewezen verklaarde feit en de daaraan gerelateerde uitval in het huishouden, niet onderbouwd. De rechtbank kan een causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en het (gestelde) gevolg van noodzakelijke huishoudelijke hulp daarom niet vaststellen. De verdediging heeft ook betwist dat deze kosten zijn gemaakt.
De rechtbank zal het gedeelte van de vordering dat ziet op kosten huishoudelijke hulp bij gebrek aan het stellen van voldoende feiten ter onderbouwing hiervan en nu dit deel namens de verdachte is betwist, afwijzen.
Verlies van verdienvermogen
Door de benadeelde partij is onvoldoende onderbouwd dat hij in genoemde periode niet in staat was om te werken. Naar het oordeel van de rechtbank kan een causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en gestelde verloren verdienvermogen dan ook niet vaststellen. De verdediging heeft betwist dat sprake is geweest van verlies aan verdienvermogen.
De rechtbank zal dit deel van de vordering bij gebrek aan het stellen van voldoende feiten ter onderbouwing hiervan en nu dit deel namens de verdachte is betwist, afwijzen.
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd en de ‘Rotterdamse schaal’ (een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen), zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.000,-.
Tussenconclusie
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 3.398,02, bestaande uit € 2.398,02 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 28 november 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Voor het meer of anders gevorderde wijst de rechtbank de vordering tot schadevergoeding af.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten voor bovengenoemde benadeelde tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.398,02, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever] .

7.Het in beslag genomen voorwerp

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de lijst van in beslag genomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage aan dit vonnis is gehecht) onder 1 genoemde voorwerp zal worden verbeurd verklaard.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich niet uitgelaten over het beslag.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het op de beslaglijst genoemde voorwerp (een steekwapen) verbeurd verklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp aan de verdachte toebehoort en met behulp van dit voorwerp het bewezen verklaarde feit is begaan.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op artikelen 33, 33a, 36f, 45, en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals die ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4. bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
poging tot doodslag;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
VIERENTWINTIG (24) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
ZES (6) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
twee jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
voorlopige hechtenis;
wijst het verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte af;
de vordering van de benadeelde partij;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van
€ 3.398,02, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 28 november 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever] ;
wijst de vordering voor het meer of anders gevorderde af;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij [aangever] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten;
de schadevergoedingsmaatregel;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.398,02, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [aangever] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 49 dagen, waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde
partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of
gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting
aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
beslag;
verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten een steekwapen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.G. Egter van Wissekerke, voorzitter,
mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, rechter,
mr. I.C. Kranenburg rechter,
in tegenwoordigheid van mr. D.D. Jongen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 maart 2026.
Bijlage I: tekst tenlastelegging
hij op of omstreeks 28 november 2025 te Leiden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [aangever] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een mes in de richting van (de nek/schouder) van die [aangever] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.