AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing asielaanvraag van Marokkaanse eiser met beroep op discriminatie en reëel risico op schade
In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 14 januari 2026, wordt de afwijzing van de asielaanvraag van een Marokkaanse eiser behandeld. De eiser, vertegenwoordigd door mr. S.A.S. Jansen, heeft op 17 december 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie, vertegenwoordigd door mr. B.W. Zagers, heeft deze aanvraag op 16 augustus 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond, met een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod van twee jaar. De rechtbank heeft het beroep van de eiser op 4 november 2025 behandeld.
De rechtbank oordeelt dat het besluit van de minister een motiveringsgebrek vertoont, omdat Marokko niet langer als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en wijst de aanvraag af als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank concludeert dat de minister de asielaanvraag wel ongegrond heeft mogen verklaren, maar dat de rechtsgevolgen van het besluit niet in stand kunnen blijven. De rechtbank bepaalt dat de eiser Nederland binnen vier weken moet verlaten en veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten aan de eiser.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Marokko een reëel risico loopt op ernstige schade. De vrees van de eiser dat zijn trauma wordt getriggerd, is onvoldoende om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. De rechtbank concludeert dat er geen sprake is van systematische vervolging van de Berber-bevolkingsgroep in Marokko en dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft vanwege zijn etniciteit. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de minister niet onterecht een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod heeft opgelegd, maar dat deze besluiten niet in stand kunnen blijven.
Voetnoten
1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatsecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.Op grond van artikel 30b, eerste lid, onder b, van de Vw 2000.
3.HvJEU 1 augustus 2025, ECLI:EU:C:2025:591 (arrest Alace & Canpelli).
4.Informatiebericht 2025/35 Arrest Hof van Justitie veilige landen van herkomst uitzonderen van groepen.
5.Gehoor veilig land van herkomst, p. 13.
6.‘Berbers kaarten discriminatie aan in Brussel’ op [website 1] van 2 juli 2008 en ‘Marokko maakt vorderingen in de strijd tegen racisme, maar er blijven uitdagingen’ op [website 2] van 2 november 2023.
7.Gehoor veilig land van herkomst, p. 6 en 9.
8.Gehoor veilig land van herkomst, p. 5.
9.Zie artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b en artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
10.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000.
11.Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
12.Artikel 45, eerste lid, van de Vw 2000 en artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000.
13.Artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000.