ECLI:NL:RBDHA:2026:650

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
NL24.32434
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van Marokkaanse eiser met beroep op discriminatie en reëel risico op schade

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 14 januari 2026, wordt de afwijzing van de asielaanvraag van een Marokkaanse eiser behandeld. De eiser, vertegenwoordigd door mr. S.A.S. Jansen, heeft op 17 december 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie, vertegenwoordigd door mr. B.W. Zagers, heeft deze aanvraag op 16 augustus 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond, met een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod van twee jaar. De rechtbank heeft het beroep van de eiser op 4 november 2025 behandeld.

De rechtbank oordeelt dat het besluit van de minister een motiveringsgebrek vertoont, omdat Marokko niet langer als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en wijst de aanvraag af als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank concludeert dat de minister de asielaanvraag wel ongegrond heeft mogen verklaren, maar dat de rechtsgevolgen van het besluit niet in stand kunnen blijven. De rechtbank bepaalt dat de eiser Nederland binnen vier weken moet verlaten en veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten aan de eiser.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Marokko een reëel risico loopt op ernstige schade. De vrees van de eiser dat zijn trauma wordt getriggerd, is onvoldoende om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. De rechtbank concludeert dat er geen sprake is van systematische vervolging van de Berber-bevolkingsgroep in Marokko en dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft vanwege zijn etniciteit. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de minister niet onterecht een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod heeft opgelegd, maar dat deze besluiten niet in stand kunnen blijven.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.32434

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S.A.S. Jansen),
en
de minister van Asiel en Migratie [1]
(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit een motiveringsgebrek bevat. Aan eiser kan namelijk niet meer worden tegengeworpen dat Marokko een veilig land van herkomst is. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten maar zal zelf in de zaak voorzien, omdat de minister de asielaanvraag wel ongegrond mocht verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 17 december 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 augustus 2024 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond en aan eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond van deze zaak
3. Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit. De minister heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond [2] , omdat eiser afkomstig is uit een land dat ten tijde van het besluit als veilig land van herkomst, zoals bedoeld in de artikelen 36 en 37 van de Procedurerichtlijn, was aangemerkt. Naar aanleiding van een arrest van het Hof van Justitie [3] is het Informatiebericht 2025/35 [4] uitgebracht. Daaruit volgt dat Marokko niet langer wordt aangemerkt als veilig land van herkomst, dat asielaanvragen van vreemdelingen uit dit land niet meer in spoor 2 kunnen worden afgedaan en dat deze aanvragen bovendien niet langer kennelijk ongegrond kunnen worden verklaard wegens afkomst uit een veilig land van herkomst.
3.1.
De rechtbank heeft de minister verzocht om aan te geven wat dit betekent voor het bestreden besluit. De minister stelt dat de asielaanvraag van eiser terecht als kennelijk ongegrond is afgewezen. De minister stelt zich wel op het standpunt dat de afdoeningsgrond zoals bedoeld in artikel 31, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 geen stand kan houden. Volgens de minister kan de asielaanvraag wel op grond van artikel 31, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 worden afgewezen, omdat eiser bij de asielaanvraag alleen aangelegenheden aan de orde heeft gesteld die niet ter zake doen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit en behoort tot de Berber bevolkingsgroep. Eiser is in zijn jeugd meerdere keren seksueel misbruikt door zijn buurman, wat leidde tot pesterijen door jongens uit zijn wijk. Eiser vreest bij terugkeer opnieuw met hen geconfronteerd te worden. Daarnaast heeft eiser in Marokko discriminatie ervaren, omdat hij Berber is en hij vreest dat hij bij terugkeer opnieuw met discriminatie te maken zal krijgen.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • Identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • Misbruik door zijn buurman en daardoor pesterijen door jongens uit zijn wijk;
  • Problemen vanwege zijn etnische afkomst (Berber).
5.1.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst deels geloofwaardig wordt geacht. De nationaliteit en herkomst worden geloofwaardig geacht, maar de identiteit wordt niet geloofwaardig geacht. Eiser voldoet namelijk niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw 2000. Eiser heeft dit ook niet betwist. De geloofwaardigheid van het misbruik door de buurman en de pesterijen door de jongens uit de wijk wordt op basis van paragraaf C1/4.1, vijfde lid, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) in het midden gelaten. De verklaringen over de problemen vanwege de etnische afkomst (Berber) worden geloofwaardig geacht.
5.2.
Zoals onder 3 benoemd heeft de minister in het bestreden besluit de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser afkomstig was uit een veilig land van herkomst. Verder bleek volgens de minister uit de verklaringen van eiser dat hij geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Marokko.
5.3.
Op 20 oktober 2025 heeft de minister in het verweerschrift de tegenwerping dat Marokko voor eiser als veilig land van herkomst wordt beschouwd, laten vallen. De minister stelt dat er andere gronden zijn die de afwijzing als kennelijk ongegrond kunnen dragen en wijst daarom de asielaanvraag alsnog af als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, onder a, van de Vw 2000. Verder heeft de minister in het verweerschrift gesteld dat in het bestreden besluit een kenbare en gemotiveerde individuele beoordeling heeft plaatsgevonden ten aanzien van de gestelde vrees van eiser bij terugkeer naar Marokko.
5.4.
Gelet op het door de minister erkende gebrek in het bestreden besluit (zie onder 5.3) zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Om de hieronder te noemen redenen ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank bepaalt daarom dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. De rechtbank acht daarbij van belang dat de minister in het bestreden besluit deugdelijk heeft gemotiveerd dat de door eiser aangedragen omstandigheden niet leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest bij terugkeer naar Marokko.
Loopt eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade vanwege het misbruik door zijn buurman en de pesterijen door de jongens uit zijn wijk?
6. Eiser voert aan dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Marokko. Eiser is daar namelijk seksueel misbruikt door zijn buurman, wat leidde tot pesterijen door jongens uit zijn wijk. Hij voert aan dat hij niet blootgesteld mag worden aan de mogelijkheid dat zijn trauma wordt getriggerd en voert daarbij aan dat dit deel van zijn asielmotief door de minister in het midden wordt gelaten, waardoor dit deel niet is beoordeeld op geloofwaardigheid. Volgens eiser is dan ook voldaan aan de voorwaarden van paragraaf C2/3.3.2.2 van de Vc 2000. Hoewel het misbruik en de pesterijen niet door de overheid hebben plaatsgevonden, voert eiser aan dat dit wel is gedaan door groeperingen in zijn directe omgeving waartegen de overheid geen bescherming heeft geboden. Hij voert aan dat hij meerdere keren tevergeefs aangifte heeft gedaan bij de politie. Verder voert eiser aan dat de minister ten onrechte heeft tegenworpen dat hij niet binnen zes maanden Marokko heeft verlaten, omdat hij tijdens het misbruik minderjarig was en pas na zijn meerderjarigheid kon vertrekken. Volgens eiser is het onjuist dat daarom geen sprake zou zijn van een causaal verband tussen het misbruik en de reden van vertrek. Tot slot voert eiser aan dat hij duidelijk heeft verklaard waarom hij in Spanje geen asiel heeft aangevraagd en daar ongeveer een jaar noodgedwongen moest blijven.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Marokko een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser heeft namelijk zelf verklaard niet te vrezen dat zijn buurman hem fysiek iets zal aandoen, maar vooral vreest dat het zijn trauma zou oproepen als hij zijn buurman en de inmiddels ouder geworden jongeren zou zien. [5] De enkele vrees dat zijn trauma wordt getriggerd of een herbeleving plaatsvindt, is onvoldoende om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Deze toekomstige geschetste gebeurtenis voldoet niet aan de voorwaarden van het beleid in paragraaf C2/3.3.2.2 van de Vc 2000. In het geval van eiser zijn de daden namelijk veroorzaakt door medeburgers en eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij daarvoor niet bestraft kunnen worden. De minister stelt op de zitting terecht dat eiser aangifte heeft kunnen doen en daarnaast niet heeft geklaagd bij hogere instanties dat niets is gedaan met zijn aangifte. Niet is gebleken dat eiser zich niet tot hogere autoriteiten kan wenden. Daarnaast stelt de minister terecht dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een causaal verband bestaat tussen het misbruik en zijn vertrek. Eiser heeft Marokko namelijk niet binnen zes maanden na het misbruik verlaten. Dat hij tijdens het misbruik minderjarig was, maakt dit niet anders, nu hij na zijn meerderjarigheid nog ruim anderhalf jaar in Marokko is gebleven. Dat hij vanwege zijn leeftijd niet eerder kon vluchten, verklaart niet waarom hij na zijn meerderjarigheid zo lang is gebleven. Daar komt bij dat hij ook geen asiel heeft aangevraagd in Spanje terwijl hij daar een jaar heeft verbleven. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft eiser bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging vanwege discriminatie?
7. Eiser voert aan dat hij vanwege zijn Berber-afkomst in Marokko gediscrimineerd wordt waardoor hij bij terugkeer het risico loopt op vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag, dan wel het risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Eiser verwijst hierbij naar twee nieuwsartikelen waaruit blijkt dat Berbers het slachtoffer zijn van mensenrechtenschendingen, discriminatie en gedwongen assimilatie. [6] Volgens eiser worden Berbers al sinds de kolonisering en Arabisering van Noord-Afrika geconfronteerd met repressie waarbij geweld niet wordt geschuwd. Eiser voert aan dat onvoldoende is doorgevraagd naar zijn problematiek rondom deze discriminatie.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat het enkele feit dat eiser Berber is, op zichzelf niet genoeg is om een vluchtelingschap aan te nemen. Er is namelijk geen sprake van systematische vervolging van deze bevolkingsgroep in Marokko. Daarnaast heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft vanwege zijn etniciteit. Hij heeft namelijk verklaard dat het ging om discriminatoire opmerkingen tijdens zijn studie en dat Arabische sprekende studenten in de klas meer uitleg kregen, maar hij heeft ook verklaard dat hij toegang had tot scholing en huisvesting. [7] Tevens heeft hij verklaard dat hij documenten in zijn bezit had zoals een paspoort of een identiteitskaart. [8] Het enkele feit dat eiser Berber is, heeft dus niet geleid tot een dusdanige beperking van zijn bestaansmogelijkheden dat het voor hem onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren in Marokko. Er is dan ook geen sprake van vluchtelingschap of een reëel risico op ernstige schade. Verder heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat discriminatie strafbaar is in Marokko en dat eiser zich bij voorkomende problemen kan wenden tot de Marokkaanse autoriteiten voor hulp en bescherming. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze mogelijkheid niet bestaat of op voorhand zinloos is. Dat eiser denkt dat de autoriteiten niet zullen helpen, betekent niet dat het op voorhand zinloos is om de bescherming in te roepen. Verder zien de nieuwsartikelen niet op de persoonlijke situatie van eiser. Tot slot heeft de minister op de zitting voldoende toegelicht dat wel is gevraagd naar discriminatie, maar dat de antwoorden (namelijk over de opmerkingen tijdens de studie en het voortrekken van Arabische studenten) geen aanleiding gaven om door te vragen. Bovendien heeft eiser ook niet gesteld dat en hoe hij dan verder gediscrimineerd zou zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Mocht de minister een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod opleggen?
8. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 0 dagen en een inreisverbod heeft opgelegd. Als eiser Nederland moet verlaten, wil hij dit zelfstandig en vrijwillig doen en daarom moet hem een vertrektermijn worden gegund. Daarnaast voert eiser aan dat hij niet naar een ander Europees land kan reizen, omdat hij op grond van de Dublinverordening zal worden teruggezonden naar Nederland. Wanneer de Dublinclaim na drie maanden aaneengesloten verblijf buiten de Europese Unie vervalt, verhindert het inreisverbod volgens eiser dat hij in een ander Europees land asiel kan aanvragen. Tot slot zal een terugkeer naar Marokko een situatie opleveren die strijdig is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Het terugkeerbesluit en het inreisverbod zijn daarom in strijd met die artikelen.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister geen terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod kon opleggen. Dit is echter niet om de door eiser aangevoerde redenen. De rechtbank stelt vast dat de minister de asielaanvraag van eiser heeft afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder a, van de Vw 2000. Volgens de rechtbank ziet dit artikellid op gevallen waarbij aangelegenheden door de vreemdeling zijn aangevoerd die geen raakvlakken hebben met internationale bescherming. In dit geval heeft eiser aangevoerd dat hij discriminatie heeft ondervonden op grond van zijn etniciteit en heeft hij ook onderbouwd waaruit die discriminatie bestond. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser wel degelijk feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die niet bij voorbaat buiten de reikwijdte van internationale bescherming vallen. De minister heeft de asielaanvraag dan ook niet als kennelijk ongegrond mogen afwijzen op grond van artikel 30b, eerste lid, onder a, van de Vw 2000. Op een besluit waarbij de minister een asielaanvraag heeft afgewezen als kennelijk ongegrond zijn andere bepalingen van toepassing dan op een afwijzing als ongegrond. Zo heeft de minister bij kennelijke ongegrondheid de mogelijkheid om de vreemdeling een vertrektermijn te onthouden en eiser een inreisverbod op te leggen. [9] Nu het terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en het inreisverbod zijn gebaseerd op de afwijzing als kennelijk ongegrond, kunnen deze rechtsgevolgen volgens de rechtbank niet in stand blijven.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de asielaanvraag wel ongegrond heeft mogen verklaren [10] , gelet op wat onder 6.1 en 7.1 is overwogen. Daarom ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien [11] door te bepalen dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Daarbij wijst de rechtbank erop dat voor eiser de rechtsgevolgen gelden die aan een afwijzing op die grond zijn verbonden. Dit houdt in dat de uitspraak heeft te gelden als een terugkeerbesluit en dat de vertrektermijn vier weken bedraagt. [12] Deze vertrektermijn vangt aan met ingang van de dag na verzending van een afschrift van deze uitspraak aan partijen. Verder bedraagt de termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift vier weken. [13]

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit gelet op overweging 5.3 in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
De rechtbank ziet om proceseconomische redenen alsmede om redenen zoals genoemd in de uitspraak van deze rechtbank, deze zittingsplaats, van 15 juni 2020, [14] aanleiding om niet de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, maar zelf in de zaak te voorzien.
9.1.
Gelet op wat onder 6.1 en 7.1 is overwogen mocht de minister de asielaanvraag wel ongegrond verklaren. De rechtbank ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb te bepalen dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Dit houdt in dat de uitspraak heeft te gelden als een terugkeerbesluit en dat de vertrektermijn vier weken bedraagt. Deze vertrektermijn vangt aan met ingang van de dag na verzending van een afschrift van deze uitspraak aan partijen. De termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift bedraagt vier weken.
9.2.
Omdat het beroep gegrond is, bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank veroordeelt de minister daarom in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde rechtmatig verleende rechtsbijstand vast op €1.814 (1 punt voor het dienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van €907 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 16 augustus 2024;
- bepaalt dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000;
- bepaalt dat deze uitspraak heeft te gelden als een terugkeerbesluit en dat eiser na verzending van deze uitspraak Nederland uit eigen beweging binnen vier weken dient te verlaten;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatsecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.Op grond van artikel 30b, eerste lid, onder b, van de Vw 2000.
3.HvJEU 1 augustus 2025, ECLI:EU:C:2025:591 (arrest Alace & Canpelli).
4.Informatiebericht 2025/35 Arrest Hof van Justitie veilige landen van herkomst uitzonderen van groepen.
5.Gehoor veilig land van herkomst, p. 13.
6.‘Berbers kaarten discriminatie aan in Brussel’ op [website 1] van 2 juli 2008 en ‘Marokko maakt vorderingen in de strijd tegen racisme, maar er blijven uitdagingen’ op [website 2] van 2 november 2023.
7.Gehoor veilig land van herkomst, p. 6 en 9.
8.Gehoor veilig land van herkomst, p. 5.
9.Zie artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b en artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
10.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000.
11.Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
12.Artikel 45, eerste lid, van de Vw 2000 en artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000.
13.Artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000.