ECLI:NL:RBDHA:2026:653

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
NL25.21886
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening bij ontbreken beroep na bezwaar verblijfsvergunning

Verzoekster heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op humanitaire gronden ingediend, welke door de minister van Asiel en Migratie op 6 mei 2025 is afgewezen. Hiertegen maakte verzoekster bezwaar en verzocht zij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen zodat zij de bezwaarfase in Nederland kon afwachten.

De voorzieningenrechter oordeelt dat een verzoek om voorlopige voorziening alleen kan worden gedaan indien formele connexiteit bestaat, wat inhoudt dat er een lopende bezwaar- of beroepsprocedure moet zijn. Nadat het bezwaar van verzoekster op 26 augustus 2025 is beslist, heeft zij geen beroep ingesteld. Hierdoor ontbreekt de vereiste connexiteit.

Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en verzoekster is vrijgesteld van griffierecht. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroep na bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.21886

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], v-nummer: [nummer], verzoekster

en haar minderjarige kind
,
[naam kind]
(gemachtigde: mr. I. Özkara),

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. Met het besluit van 6 mei 2025 heeft de minister de aanvraag van verzoekster om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘Niet-tijdelijke humanitaire gronden’ afgewezen.
1.1.
Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat zij de bezwaarfase in Nederland mag afwachten.
1.2.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit beroep is ingesteld en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen dat vereist. [2]
2.1.
Een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan het vereiste van formele connexiteit. [3] Dit betekent dat een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening alleen kan worden gedaan hangende een bezwaar- of beroepsprocedure.
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan nadat bezwaar is gemaakt en op dit bezwaar wordt beslist voordat op het verzoek is beslist, wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld om beroep bij de bestuursrechter in te stellen. Het al ingestelde verzoek wordt dan gelijk gesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de bestuursrechter. [4]
4. Met het besluit van 26 augustus 2025 heeft de minister op het bezwaarschrift van verzoekster beslist. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster geen beroep heeft ingesteld tegen dit besluit, waardoor niet wordt voldaan aan het connexiteitsvereiste.
5. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Verder is verzoekster vrijgesteld van de betaling van griffierecht.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.
2.Dat staat in artikel 8:81 van Pro de Awb.
3.Dit staat in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
4.Dit staat in artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb.