Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6557

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
NL24.40015
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 VisumcodeVerordening (EG) nr. 810/2009
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende binding met land van herkomst

Eiser, een Pakistaanse nationaliteit, vroeg een visum kort verblijf aan om zijn broer in Nederland te bezoeken. De minister wees de aanvraag af wegens onvoldoende aantoonbare sociale en economische binding met Pakistan, waardoor het risico bestond dat eiser niet tijdig zou terugkeren.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht een ruime beoordelingsmarge hanteerde en dat eiser onvoldoende bewijs leverde van een substantieel en regelmatig inkomen. Ook het bezit van land en het achterlaten van familieleden boden onvoldoende waarborg voor terugkeer. De minister hoefde eiser niet te horen omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was en er geen nieuwe feiten waren aangevoerd.

De rechtbank benadrukte dat negatieve stereotyperingen op basis van afkomst niet zijn toegestaan en dat elke aanvraag op persoonlijke merites moet worden beoordeeld. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de afwijzing van het visum in stand blijft en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.40015
[v nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1977, van Pakistaanse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. J. Singh),
en

de minister van Asiel en Migratie, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. E. Jansen).

Inleiding

1. Bij besluit van 1 augustus 2023 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser van 24 juli 2023 tot verlening van een visum kort verblijf afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 27 september 2024 (het bestreden besluit) kennelijk ongegrond verklaard.
1.1.
Op 11 oktober 2024 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2026. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen, [persoon] (referent) en diens echtgenote.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond en besluitvorming
4. Eiser is afkomstig uit Pakistan en wil graag op bezoek bij zijn broer in Nederland. Aanvankelijk zouden zijn twee meerderjarige zoons ook meereizen, maar zij hebben hier vanwege studie en werkverplichtingen van afgezien. Dit beroep ziet daarom alleen nog op de afwijzing van de visumaanvraag van eiser en niet mede op de afwijzing van de visumaanvragen van de twee zoons van eiser.
4.1.
De minister heeft de visumaanvraag van eiser afgewezen. Volgens de minister is de sociale en economische binding met het land van herkomst onvoldoende aangetoond, waardoor niet aannemelijk is gemaakt dat eiser (tijdig) het Schengengebied zal verlaten. [1] Het in het bestreden besluit ingenomen standpunt dat eiser ook onvoldoende aannemelijke en verifieerbare informatie heeft weten te verschaffen omtrent het doel en de verblijfsomstandigheden van de reis, heeft de minister in beroep laten vallen. [2] Volgens de minister kon er worden afgezien van het horen van eiser.
Toetsingskader
5. Een visumaanvraag voor kort verblijf wordt onder andere afgewezen als er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum (oftewel het vestigingsgevaar). [3] Bij de beoordeling hiervan heeft de minister een ruime beoordelingsmarge. [4]
5.1.
Voor de beoordeling van het vestigingsgevaar betrekt de minister de sociale en economische binding van de aanvrager met het land van herkomst. Daarbij betrekt de minister welke omstandigheden in het voordeel en welke in het nadeel van de aanvrager uitvallen. Op basis daarvan komt de minister tot een conclusie over de vraag of redelijke twijfel bestaat over tijdige terugkeer naar het land van herkomst. De rechter kan deze beoordeling van de minister slechts terughoudend toetsen.
Redelijke twijfel over tijdige terugkeer
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een sterke economische en sociale binding met Pakistan en dat tijdige terugkeer dan ook gewaarborgd is. Dat tussentijds geen stortingen op de bankrekening te zien zijn en juist meer opnames, is volgens eiser te verklaren doordat de meeste agrarische bedrijven niet heel het jaar door hun producten verkopen. Daarbij komt dat de minister vergeet dat er geen sprake is huisvestingskosten en er ook geen kosten zijn voor aankoop van voedsel, nu eiser een eigen huis bezit en zelf voedsel produceert. Daarnaast blijven alle gezinsleden van eiser achter in Pakistan, waardoor hij een sterke sociale band heeft met dit land.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat een tijdige terugkeer naar Pakistan gewaarborgd is te achten. Wat betreft de economische binding heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat onvoldoende is gebleken dat eiser een regelmatig en substantieel inkomen verdient. Uit de bij de aanvraag overgelegde fiscale stukken blijkt namelijk dat eiser een inkomen op jaarbasis heeft van omgerekend
€ 1.935,63, - (PKR [5] 600.000, -). Dat in bezwaar aanvullend is verklaard dat eiser een maandinkomen van omgerekend € 500,- (PKR 154.943, -) heeft, is nergens terug te vinden in de overgelegde stukken. Het jaarinkomen lijkt daarnaast in één enkele storting te zijn overgemaakt en uit de stukken volgt dat er meer geld van de rekening wordt afgeschreven dan dat er per jaar verdiend wordt. Over de stelling van eiser dat agrarische bedrijven niet heel het jaar door hun producten verkopen en dat er nog bewijzen van de verkoop van een oogst zullen worden overgelegd, heeft de minister mogen opmerken dat het niet aannemelijk is dat er in de periode waar de overgelegde fiscale stukken op zien, namelijk van juli 2022 tot en met juni 2023, meer inkomen uit een andere oogst zou zijn geweest. Bewijzen van een oogst in deze periode zijn niet meer overgelegd en het is ook niet terug te zien op de stukken ten aanzien van de inkomstenbelasting dat er toen een oogst zou zijn geweest. Eiser heeft in beroep nog verkoopbewijzen van mei en november 2025 overgelegd. De rechtbank is het echter met de minister eens dat dit onvoldoende is ter onderbouwing van eisers standpunt dat sprake is van een substantieel inkomen. Daarnaast is niet met objectieve bewijsstukken onderbouwd dat er sprake is van een eigen woning waarvoor geen kosten meer zijn. Daarbij komt dat het bezit van land niet als dusdanige binding met het land van herkomst hoeft te worden aangemerkt, dat enkel op grond daarvan de tijdige terugkeer gewaarborgd is. Wat betreft de sociale binding met Pakistan, heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat er wellicht wel enige binding is, maar dat deze ook niet zodanig is dat een tijdige terugkeer gewaarborgd is te achten, mede gelet op het ontbreken van de economische binding. Enkel het achterlaten van het gezin biedt onvoldoende waarborg voor een tijdige terugkeer, aangezien er niet gesteld of gebleken is dat eiser een specifieke zorgplicht heeft voor zijn directe familieleden. De beroepsgrond slaagt niet.
6.2.
Over de sociale binding wil de rechtbank nog wel het volgende opmerken. De minister heeft in het bestreden besluit in het kader van het ontbreken van de sociale binding ook verwezen naar ‘openbare informatiebronnen’ waaruit zou blijken dat een meerderheid van de Pakistaanse bevolking in een ‘joint family system’ leeft. Hierdoor zouden eventuele zorgtaken voor achtergebleven gezinsleden volgens de minister ook gemakkelijk door andere naasten overgenomen kunnen worden. Dat in eisers geval sprake is van een familienetwerk ligt volgens de minister voor de hand. Alhoewel deze stellingname niet door eiser is betwist, wil de rechtbank opmerken dat de minister op zitting niet heeft kunnen specificeren uit welke ‘openbare informatiebronnen’ blijkt dat de meerderheid van de Pakistaanse bevolking in dergelijke ‘joint family systems’ leeft en dat uit het dossier ook niet direct blijkt dat bij eiser sprake is van een dergelijke familiestructuur.
6.3.
Tot slot wenst de rechtbank ook haar verbazing uit te spreken over het volgende. Bij zijn standpunt over (geen) tijdige terugkeer heeft de minister mede benoemd dat eiser uit een plaats in Pakistan komt waar sprake is van een grote hoeveelheid emigratie. In het bestreden besluit staat: ‘
De vreemdelingen wonen in [plaats 1] . Deze plaats wordt ook wel ' [plaats 2] ' genoemd omdat 70% van de in Noorwegen woonachtige Pakistanen uit [plaats 1] afkomstig zijn.’. [6] Op de zitting heeft referent aangegeven dat hij beledigd is door deze redenering. Het doet hem vermoeden dat zijn familie niet welkom is, vanwege de plaats waar zij vandaan komen. De rechtbank herinnert de minister eraan dat hij iedere aanvraag op de persoonlijke merites van de aanvrager dient te beoordelen en het hem is verboden daarbij negatieve stereotyperingen op basis van afkomst te betrekken, waartegen iemand zich niet kan verweren. Het past de minister niet om met dergelijke aannames te werken. [7]
Hoorplicht
7. Eiser stelt zich daarnaast op het standpunt dat de minister ten onrechte heeft afgezien van een hoorzitting. De minister heeft hem de mogelijkheid ontnomen om zijn bezwaar en de overgelegde bewijsstukken nader toe te lichten. Op zijn minst had de minister schriftelijk om nadere toelichting kunnen vragen, wat de minister niet heeft gedaan. Dit klemt te meer nu eiser in de bezwaarfase geen juridische bijstand had.
7.1.
De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat het bezwaar kennelijk ongegrond was, waardoor van horen mocht worden afgezien. [8] Bij de visumaanvraag zijn een uittreksel van NADRA [9] , enkele bankafschriften, stukken van de Pakistaanse belastingdienst en eigendomsaktes van stukken land overgelegd. Vervolgens is in het primaire besluit opgenomen dat de sociale en economische binding van eiser met Pakistan onvoldoende zijn aangetoond. Eiser had toen dus bekend kunnen zijn met het feit dat de bij de visumaanvraag overgelegde stukken onvoldoende waren om zijn binding met Pakistan aan te tonen. In de bezwaarfase heeft eiser echter geen nieuwe stukken ten aanzien van zijn werkzaamheden en economische activiteiten overgelegd. Er is in het bezwaarschrift enkel aangevoerd dat eiser veel vee en agrarisch land bezit en dat hij een maandinkomen van omgerekend € 500,- (PKR 154.943,-) heeft. Dit maandinkomen is echter nergens terug te vinden in de financiële stukken die door eiser zijn overgelegd. De minister heeft daarom kunnen concluderen dat niet is gebleken van feiten en/of omstandigheden die de besluitvorming anders kunnen maken. Hierdoor was redelijkerwijs geen twijfel mogelijk dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander oordeel kon leiden. Daarom heeft de minister het bezwaar kennelijk ongegrond mogen verklaren en was de minister niet verplicht eiser te horen in bezwaar. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag voor een visum voor kort verblijf in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G.T. de Hoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 32, eerste lid, sub b, van de Visumcode (Verordening (EG) nr. 810/2009).
2.Artikel 32, eerste lid, sub a, onder ii) van de Visumcode.
3.Dit staat in artikel 32, eerste lid, sub b, van de Visumcode.
4.Dit volgt uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van
5.Pakistaanse roepie.
6.Bestreden besluit, pagina 6.
7.Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 23 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:15161.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918 en van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.
9.National Database and Registration Authority.