Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6559

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
NL25.1293
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2, eerste lid, onder a, IVURArt. 14 EVRMArt. 1, eerste lid, 12e Protocol EVRMArt. 21, eerste lid, Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 7, tweede lid, Gezinsherenigingsrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond: weigering machtiging voorlopig verblijf wegens inburgeringsvereiste strijdig met discriminatieverbod

Eiseres, een Marokkaanse vrouw, diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) die werd afgewezen vanwege het niet voldoen aan het inburgeringsvereiste. De rechtbank oordeelt dat deze weigering in strijd is met het discriminatieverbod zoals neergelegd in het EVRM en de Gezinsherenigingsrichtlijn, mede gebaseerd op een eerdere uitspraak van dezelfde rechtbank.

De rechtbank constateert dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiseres, die analfabeet is en een laag IQ heeft, ondanks haar aanzienlijke inspanningen om het inburgeringsexamen te halen. Tevens is de hoorplicht geschonden doordat verweerder geen hoorzitting heeft gehouden terwijl dit gezien de individuele omstandigheden van eiseres noodzakelijk was.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen tien weken een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening moet worden gehouden met deze uitspraak en alle relevante gegevens. Verweerder wordt tevens veroordeeld in de proceskosten van eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd vanwege strijd met het discriminatieverbod en onvoldoende motivering.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.1293
[v nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiseres

(gemachtigde: mr. S. de Schutter),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eiseres is het niet eens met de afwijzing daarvan. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiseres krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiseres is geboren op [geboortedag] 1969 en heeft de Marokkaanse nationaliteit.
2.2.
Eiseres heeft op 27 januari 2021 een aanvraag ingediend voor een mvv. Deze aanvraag is afgewezen met een besluit van 4 juni 2021.
2.3.
Eiseres heeft op 24 februari 2023 opnieuw een aanvraag ingediend voor een mvv voor het verblijfsdoel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon 1] (referent)’. Referent is de echtgenoot van eiseres.
2.4.
Met het primaire besluit van 24 april 2024 heeft verweerder de aanvraag voor een mvv afgewezen, omdat eiseres niet voldoet aan het inburgeringsvereiste.
2.5.
Met het bestreden besluit van 13 december 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van de mvv gebleven. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het onderscheid door het inburgeringsexamen gerechtvaardigd is en niet in strijd is met het discriminatieverbod, omdat het onderkend is door de wetgever. Verweerder verwijst naar Kamerstukken en Kamervragen. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor ontheffing van het inburgeringsvereiste op grond van persoonlijke individuele omstandigheden. Niet is gebleken dat eiseres alles heeft gedaan wat in redelijkheid van haar verwacht mag worden om het examen te halen. Verweerder ziet ook geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden afgeweken van de beleidsregels. Verweerder heeft tot slot het standpunt ingenomen dat eiseres niets heeft aangevoerd tegen de gemaakte belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM [1] in het primaire besluit. Verweerder verwijst daarom naar die belangenafweging.
2.6.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres, [persoon 2] (de stiefdochter van eiseres),
[persoon 1] (de echtgenoot van eiseres) en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht is overgegaan tot afwijzing van de mvv.
Strijdigheid met het discriminatieverbod
4.1.
Eiseres voert aan dat het inburgeringsvereiste in strijd is met het discriminatieverbod. Eiseres verwijst naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 16 april 2024. [2]
4.2.
Verweerder heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Dit hoger beroep heeft ertoe geleid dat de Afdeling op 11 juni 2025 prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). Het Hof moet zich nog uitspreken over deze prejudiciële vragen. Omdat dit doorgaans enige tijd in beslag neemt, beide partijen niet de voorkeur hebben om hierop te wachten en de Afdeling nog geen einduitspraak heeft gedaan, zal de rechtbank in deze zaak in lijn met de hiervoor genoemde rechtbankuitspraak oordelen. De rechtbank neemt de rechtsoverwegingen van die uitspraak over, in het bijzonder rechtsoverweging 30.
4.3.
Dit brengt mee dat verweerder de door eiseres aangevraagde mvv niet heeft mogen weigeren op grond van het inburgeringsvereiste, aangezien de wijze waarop dit vereiste op dit moment is ingekleed volgens de hiervoor genoemde rechtbankuitspraak niet in overeenstemming is met onder andere de Gezinsherenigingsrichtlijn en het EVRM. Het beroep is reeds daarom gegrond. De rechtbank zal aan het einde van deze uitspraak terugkomen op de gevolgen van de gegrondverklaring.
4.4.
Nu het beroep reeds gegrond is omdat het besluit in strijd is met de internationale discriminatieverboden neergelegd in onder andere het EVRM en met de Gezinsherenigingsrichtlijn, hoeft de rechtbank de overige gronden niet meer te bespreken. De rechtbank zal echter, met het oog op het mogelijke hoger beroep, de onzekerheid van de uitkomst van de gestelde prejudiciële vragen en in het kader van finale geschilbeslechting, toch inhoudelijk ingaan op de overige beroepsgronden.
Schending hoorplicht
5.1.
Eiseres voert aan dat sprake is van schending van de hoorplicht. Eiseres heeft in bezwaar aanvullende stukken ingediend om te onderbouwen dat het voor haar onmogelijk is om te slagen voor het inburgeringsexamen, ondanks alle inspanningen die zij heeft geleverd.
5.2.
Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. [3] Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. [4] Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan, ook gelet op de verschillende functies van de hoorzitting, zoals het in onderling overleg komen tot een oplossing. Naarmate de in een zaak spelende omstandigheden meer individueel en persoonlijk van aard zijn ligt horen des te meer in de rede en dient van het houden van een hoorzitting niet te snel te worden afgezien.
5.3.
De rechtbank is met eiseres van oordeel dat verweerder niet had mogen afzien van het houden van een hoorzitting. Allereerst heeft eiseres in bezwaar expliciet gevraagd om een hoorzitting. Daarnaast is van belang dat eiseres onderbouwd naar voren heeft gebracht dat het voor haar door individuele omstandigheden niet mogelijk is om het inburgeringsexamen te halen. Op de zitting is verder gebleken dat er bij verweerder nog onduidelijkheden waren over de lessen die eiseres heeft gevolgd. In de verklaring van de docente van 30 augustus 2022 staat dat eiseres van 2018 tot 2020 les heeft gevolgd. In het intakeformulier staat ook dat eiseres vanaf 2018 lessen is gaan volgen. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres desgevraagd meegedeeld dat dit niet klopt. Bij verweerder was verder niet duidelijk of eiseres les kreeg in groepen of individueel. In de verklaring van de docente van 30 augustus 2022 staat namelijk dat eiseres les kreeg in groepen en in de verklaring van de docente van 10 juli 2023 staat dat zij individueel les kreeg. Naar het oordeel van de rechtbank had een hoorzitting de aangewezen plek geweest om eiseres hiernaar te vragen en deze onduidelijkheden weg te nemen. Op voorhand kon niet gezegd worden dat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kon leiden dan in het primaire besluit.
Verrichte inspanningen
6.1.
Eiseres doet een beroep op het arrest van het Hof van 9 juli 2015. [5] In dit arrest heeft het Hof overwogen dat het vooraf stellen van bepaalde integratievoorwaarden is toegestaan, maar alleen als deze voorwaarden de integratie vergemakkelijken. Het Hof heeft er daarbij op gewezen dat de integratievoorwaarden van artikel 7, lid 2, eerste alinea, van Richtlijn 2003/86 niet tot doel mogen hebben de personen te selecteren die hun recht op gezinshereniging zullen kunnen uitoefenen, maar dienen hun integratie in de lidstaten te vergemakkelijken. Eiseres voert aan dat verweerder dit arrest niet op juiste wijze heeft toegepast. De individuele omstandigheden zijn onvoldoende in onderlinge samenhang meegewogen. Eiseres is analfabete, laagopgeleid en komt uit een achtergesteld gebied in Marokko. Zij heeft al veel inspanningen verricht om het examen te halen, maar het lukt haar niet. In het geval van eiseres maakt de verplichting van het inburgeringsexamen de gezinshereniging onmogelijk of uiterst moeilijk.
6.2.
In Werkinstructie 2021/21 ‘Inburgering in het buitenland’ heeft verweerder onder andere opgenomen dat het basisexamen in het buitenland is bedoeld om gezinsmigranten een betere startpositie in Nederland te geven. Met het afleggen van het examen kan de integratie in Nederland worden vergemakkelijkt. Het inburgeringsproces wordt in Nederland gecontinueerd. Daarbij acht verweerder het van belang dat gezinsmigranten serieuze pogingen en voorbereidingen ondernemen om kennis te nemen van de Nederlandse taal en samenleving. De inspanningen (pogingen en voorbereidingen) van de gezinsmigrant mogen echter niet zo lang duren dat uitoefening van het recht op gezinshereniging onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt. Er kan ontheffing worden verleend indien zich bijzondere individuele omstandigheden voordoen. Daarbij kunnen volgens verweerder een rol spelen; de gepleegde inspanningen, de reeds gemaakte kosten ter voorbereiding en/of het afleggen van het basisexamen, het opleidingsniveau en het tijdsverloop sinds de start van de inspanningen tot gezinshereniging.
6.3.
De rechtbank stelt op grond van het dossier vast dat eiseres al aanzienlijke inspanningen heeft gepleegd om het examen te halen. Zij krijgt sinds 2020 les en heeft meer dan 600 uren les gevolgd. Dit wordt ondersteund door de overgelegde facturen en de verklaringen van de docente van eiseres. Eiseres wordt daarbij geholpen door haar familieleden. De inspanningen hebben er niet toe geleid dat eiseres het basisexamen inburgering heeft gehaald. Eiseres is analfabete en door een arts is vastgesteld dat zij een IQ heeft van 50 of minder. Gelet op dit samenstel van persoonlijke omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres zich onvoldoende heeft ingespannen om te slagen voor het inburgeringsexamen.
6.4.
De rechtbank weegt in dit verband ook mee dat op de zitting is gebleken dat referent en de stiefdochter van eiseres het Nederlands al beheersen. Referent heeft toegelicht dat hij al sinds 1999 in Nederland is en sindsdien hier woont en werkt. De rechtbank stelt vast dat dit ook factoren zijn die de inburgering van eiseres in Nederland kunnen vergemakkelijken. Eiseres heeft daarmee al een goede startpositie voor integratie in Nederland. Ook gelet daarop acht de rechtbank het niet redelijk om in het geval van eiseres vast te houden aan de integratievoorwaarde van het slagen voor het inburgeringsexamen.
6.5.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende kenbaar rekening heeft gehouden met de persoonlijke situatie van eiseres. De motivering in het bestreden besluit is ook op dit punt niet deugdelijk.

Conclusie en gevolgen

7.1.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, gelet op hetgeen in overwegingen 4.2 en 4.3 is overwogen. Met verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 16 april 2024 is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit discriminatoir is, omdat het in strijd is met artikel 2, eerste lid, onder a, van het IVUR [6] , artikel 14 van Pro het EVRM, artikel 1, eerste lid van het 12e Protocol bij het EVRM en artikel 21, eerste lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Daarnaast is het bestreden besluit in strijd met artikel 7, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn als ook onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij moet verweerder rekening houden met wat er in deze uitspraak is geoordeeld, en alle gegevens in de beoordeling betrekken die op dat moment bekend zijn. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van tien weken.
7.2.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.
5.Zie het arrest van het Hof van 9 juli 2015 in de zaak C153/15, K. en A.
6.Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie.