ECLI:NL:RBDHA:2026:6565

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
NL25.55994
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 20 DublinverordeningArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening met Kroatië

Eiser, een Syrische nationaliteit dragende persoon, diende op 3 augustus 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser betoogde dat Kroatië zijn verdragsverplichtingen niet nakomt en dat hij in Kroatië mishandeld is, onder mensonwaardige omstandigheden is gedetineerd en geen toegang had tot een adequate asielprocedure.

De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië, dat partij is bij het EVRM en het Vluchtelingenverdrag. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. De eerdere ervaringen van eiser in Kroatië betreffen een andere situatie dan de huidige overdracht als Dublinclaimant.

Ook is niet gebleken van ernstige structurele tekortkomingen in het Kroatische asielsysteem. Eiser heeft geen bijzondere individuele omstandigheden aangevoerd die overdracht onevenredig maken, en zijn psychische klachten zijn onvoldoende onderbouwd. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat Kroatië verantwoordelijk is en het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.55994

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. D.S. Harhangi-Asarfi),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij het besluit van 13 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1989 en de Syrische nationaliteit te hebben. Hij heeft op 3 augustus 2025 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser voor de eerste keer op 18 juli 2025 illegaal via Kroatië het grondgebied van de lidstaten is ingereisd. Op 3 augustus 2025 heeft eiser een verzoek om internationale bescherming ingediend in Nederland. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening [3] de Kroatische autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Kroatische autoriteiten hebben dit verzoek op 9 oktober 2025 geaccepteerd op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen aan dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. Eiser heeft met zijn verklaringen en overgelegde landeninformatie concrete en individuele aanwijzingen gegeven dat Kroatië zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. Eiser stelt dat hij in Kroatië is mishandeld, onder mensonwaardige omstandigheden is gedetineerd, geen toegang had tot een tolk, advocaat of asielprocedure en dat hij zonder individuele beoordeling is teruggestuurd naar Bosnië en Herzegovina. Deze ervaringen passen in een breder patroon dat blijkt uit recente rapporten van onder meer AIDA, Human Rights Watch, Amnesty International en UNHCR. Daarnaast verwijst eiser naar het arrest Y.K. tegen Kroatië van het EHRM van 17 juli 2025, [4] waaruit volgt dat in Kroatië sprake is van structurele schendingen van artikel 3 en Pro 13 van het EVRM. [5] Verweerder heeft nagelaten recente jurisprudentie en landeninformatie kenbaar bij zijn besluitvorming te betrekken. Verder voert eiser aan dat hij overdracht aan Kroatië een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest. [6] Verweerder heeft nagelaten zijn eerdere ervaringen in Kroatië te betrekken en nader te beoordelen of deze omstandigheden zich bij terugkeer opnieuw kunnen voordoen. Tot slot heeft verweerder ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Gelet op zijn eerdere ervaringen in Kroatië, de psychische gevolgen daarvan waarvoor hij in Nederland wordt behandeld en de gestelde gebreken in de Kroatische asielprocedure, leidt overdracht tot onevenredige hardheid. Het bestreden besluit is onzorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. In beginsel mag verweerder ten opzichte van Kroatië, dat evenals Nederland partij is bij het EVRM en het Vluchtelingenverdrag, uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is reeds bevestigd in de uitspraken van de Afdeling [7] van 10 december 2024 [8] en 20 augustus 2025. [9] Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval hier niet van kan worden uitgegaan. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat de Kroatische autoriteiten hun verdragsverplichtingen jegens hem niet zullen nakomen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. Ook is niet gebleken van ernstige, structurele tekortkomingen in het asielsysteem of de opvangvoorzieningen.
5. Eisers verklaringen over zijn eerdere ervaringen in Kroatië, zien op een andere situatie dan waarin eiser nu zit. Eisers verklaringen gaan immers over de wijze waarop eiser bij eerste aankomt, een illegale inreis, in Kroatië is behandeld. Het gaat nu om een beoordeling van de situatie die eiser tijdens en na de overdracht te verwachten heeft. Eiser zal terugkeren als Dublinclaimant. Eiser heeft niet onderbouwd dat Dublinclaimanten, die gereguleerd worden overgedragen aan de Kroatische autoriteiten, na overdracht een risico lopen om in eenzelfde situatie terecht te komen als hij eerder in Kroatië heeft ondervonden. Bovendien hebben de Kroatische autoriteiten met de aanvaarding van het terugnameverzoek gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling zullen nemen met inachtneming van de Europese richtlijnen en internationale verdragen. Het is dan ook niet aannemelijk dat eiser in dezelfde situatie terecht zal komen als voorheen. [10] Indien eiser in Kroatië toch wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag, in de opvang of anderszins, kan hij hierover klagen bij de Kroatische (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen bij de Kroatische autoriteiten voor eiser niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.
6. Verder heeft verweerder in de door eiser gestelde omstandigheden evenmin reden hoeven zien om de verantwoordelijkheid aan zich te trekken. Het betreffen geen bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Kroatië onevenredig moet worden geacht. Daarbij heeft verweerder ervan uit mogen gaan dat eisers eerdere ervaringen in Kroatië al betrokken zijn bij de beoordeling op het punt van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en daarom niet nogmaals een rol kunnen spelen in het kader van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. [11] Eiser heeft verder geen bijzondere individuele omstandigheden aangevoerd die overdracht naar Kroatië onevenredig hard maken. De rechtbank merkt daarbij op dat eiser zijn gestelde psychische klachten en behandeling daarvan niet heeft onderbouwd. Niet is gebleken dat sprake is van medische omstandigheden of dat eiser hiervoor onder behandeling staat. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij eventuele medische behandelingen niet in Kroatië zou kunnen krijgen of dat de behandeling enkel in Nederland beschikbaar is. Ook zijn er geen aanwijzingen dat Nederland het meest geschikte land is voor een eventuele behandeling. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen beslissen dat er geen aanleiding is om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
7. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 23 maart 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.
4.ECLI:CE:ECHR:2025:0717JUD003877621, 38776/21.
5.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
7.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
9.ECLI:NLRVS:2025:3901.
10.zie ook de uitspraak van de Afdeling van 3 maart 2025, ELCI:NL:RVS:2025:826.
11.Volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717.