ECLI:NL:RBDHA:2026:659

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
C/09/694609 / KG ZA 25-1129
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van de gevorderde invrijheidstelling in kort geding met betrekking tot de tenuitvoerlegging van een Belgisch strafvonnis

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 16 januari 2026 uitspraak gedaan in een kort geding waarin [eiser], thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie], een vordering heeft ingediend tegen de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door de Minister van Veiligheid en Justitie. De vordering betreft de invrijheidstelling van [eiser] in afwachting van de toepassing van artikel 6:2:10 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De rechtbank heeft de gevorderde invrijheidstelling afgewezen, omdat niet aannemelijk is geworden dat de voortzetting van de straf leidt tot strafverzwaring. De rechtbank oordeelt dat het beleid van de Staat voldoende mogelijkheden biedt om strafverzwaring te voorkomen en dat de gratieprocedure een adequaat vangnet vormt. De rechtbank heeft de proceskosten aan de zijde van de Staat begroot op € 1.999,--, te betalen door [eiser].

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/694609 / KG ZA 25-1129
Vonnis in kort geding van 16 januari 2026
in de zaak van
[eiser], thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie] , te [plaats] ,
eiser,
advocaat mr. T.E. Korff te Amsterdam,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN(DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE) te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. C.M. Bitter te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 10 december 2025, met producties 1 tot en met 10;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 7.
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 18 december 2025. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de advocaten van partijen het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Deze maken deel uit van het dossier.
1.3.
De datum voor het wijzen van vonnis is nader bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Bij vonnis van 15 juli 2022 is [eiser] door de correctionele rechtbank in Brussel veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar vanwege drugsgerelateerde strafbare feiten en het als leider deelnemen aan een criminele organisatie. Aanvankelijk was [eiser] voor die feiten gedetineerd in Nederland, maar op verzoek van de Belgische autoriteiten is de tenuitvoerlegging van de straf door België overgenomen.
2.2.
Op 22 december 2023 heeft de Minister voor Rechtsbescherming overeenkomstig artikel 2:12 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS) beslist dat de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd. In die beslissing is onder meer vermeld:
2.3.
Op 18 januari 2024 is [eiser] overgebracht naar Nederland om zijn gevangenisstraf verder te ondergaan. De datum van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna ‘(de) VI’) is in beginsel 26 mei 2028.
2.4.
In een e-mailbericht van 3 juni 2024 heeft [eiser] via zijn advocaat de Minister van Justitie en Veiligheid, hierna ‘de minister’, verzocht om gebruik te maken van de in artikel 6:2:10 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) geregelde bevoegdheid om in het geval van de tenuitvoerlegging van een in het buitenland opgelegde vrijheidsstraf in Nederland te bepalen dat de VI op een eerder tijdstip kan plaatsvinden. Aan dat verzoek heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat als de tenuitvoerlegging van zijn gevangenisstraf niet aan Nederland was overgedragen, hij in België op 25 mei 2024 voor VI in aanmerking zou zijn gekomen. Dit verzoek is bij beslissing van 18 juli 2024 afgewezen, samengevat omdat het moment waarop wordt beslist over de erkenning en overname van de tenuitvoerlegging van een straf ook het geëigende moment is om te beoordelen of er reden is om gebruik te maken van de afwijkingsbevoegdheid van artikel 6:2:10 lid 4 Sv, terwijl overigens de gratieprocedure een voldoende vangnet biedt om het risico van strafverzwaring in concrete gevallen tegen te gaan.
2.5.
[eiser] heeft door middel van een op 22 juli 2024 ondertekend gratieformulier en een schriftelijke toelichting van zijn advocaat van 23 juli 2024 een gratieverzoek ingediend. Dit verzoek is op 3 oktober 2024 aangevuld met een in opdracht van [eiser] door een forensisch maatschappelijk werker opgesteld “Voorlichtingsrapport ter ondersteuning verzoek om Gratie” van 30 september 2024 (hierna ‘het voorlichtingsrapport’). In dit rapport wordt nader ingegaan op de persoonlijke omstandigheden van [eiser] en wordt geadviseerd om [eiser] in aanmerking te laten komen voor gratie. Vervolgens is het gratieverzoek op 14 januari 2025 aangevuld met schriftelijke bewijsstukken met betrekking tot de nakoming van een door [eiser] in België getroffen betalingsregeling.
2.6.
Naar aanleiding van het gratieverzoek van [eiser] is advies ingewonnen bij het Openbaar Ministerie en het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna ‘het hof’). Het Openbaar Ministerie heeft op 12 september 2024 negatief geadviseerd over het gratieverzoek. Volgens het Openbaar Ministerie is er weinig bekend over de persoonlijke omstandigheden van [eiser] , is er geen sprake van gewijzigde (detentie)omstandigheden waar de Belgische rechter geen rekening mee heeft gehouden of kon houden en die anders wellicht tot een andere straf hadden kunnen leiden en dient de straf nog altijd een redelijk doel. Ook het hof heeft op 8 november 2024 geadviseerd om het gratieverzoek af te wijzen. Daarbij heeft het hof (samengevat) overwogen dat het vanwege eerdere veroordelingen van [eiser] voor drugsgerelateerde strafbare feiten en de omvang van de organisatie waarvan [eiser] deel uitmaakte onvoldoende aannemelijk is dat bij tenuitvoerlegging van de straf in België na ommekomst van een derde deel van de straf tot het verlenen van VI zou zijn gekomen, dat de opgelegde straf nog altijd een redelijk doel dient en dat de omstandigheid dat [eiser] vader is geworden niet voldoende bijzonder of zwaarwegend is om gratie te rechtvaardigen.
2.7.
Op 25 maart 2025 is het gratieverzoek van [eiser] , onder verwijzing naar de adviezen van het Openbaar Ministerie en het hof, afgewezen.
2.8.
Nadat gebleken was dat het voorlichtingsrapport niet was betrokken in de adviezen van het Openbaar Ministerie en het hof, is dit rapport alsnog aan het Openbaar Ministerie en het hof gestuurd. Hierop hebben het Openbaar Ministerie en het hof op respectievelijk 30 april 2025 en 12 mei 2025, rekening houdend met het voorlichtingsrapport, opnieuw geadviseerd het gratieverzoek van [eiser] af te wijzen. Daarbij heeft het Openbaar Ministerie er onder meer op gewezen dat het reclasseringsrapport in opdracht van [eiser] is opgesteld en geen onafhankelijke bevindingen bevat.
2.9.
Bij brief van 19 mei 2025 is aan de advocaat van [eiser] meegedeeld dat de eerdere afwijzing van het gratieverzoek van [eiser] gehandhaafd blijft.
2.10.
Op 2 oktober 2025 heeft de advocaat van [eiser] de minister opnieuw verzocht om ten gunste van [eiser] gebruik te maken van de bevoegdheid op grond van artikel 6:2:10 lid 4 Sv. Bij dit verzoek is onder meer een door Fivoor opgesteld Reclasseringsadvies van 27 augustus 2025 (hierna ‘het reclasseringsadvies’) gevoegd, waarin (samengevat) wordt ingegaan op het gedrag van [eiser] in detentie en een analyse wordt gegeven van de persoonlijke omstandigheden van [eiser] en van het risico op recidive, dat als gemiddeld wordt ingeschat.
2.11.
Bij brief van 23 oktober 2025 is aan de advocaat van [eiser] meegedeeld dat het verzoek van [eiser] om alsnog toepassing te geven aan de bevoegdheid van artikel 6:2:10 lid 4 Sv is afgewezen.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vorder
primairde Staat te bevelen om [eiser] binnen twee dagen voorwaardelijk in vrijheid te stellen en opnieuw te beslissen over gebruikmaking van de in artikel 6:2:10 lid 4 Sv gegeven bevoegdheid ten gunste van [eiser] en
subsidiairde Staat te bevelen om de stelling van [eiser] dat voortzetting van de straf leidt tot strafverzwaring nader inhoudelijk te onderzoeken, mede door het inwinnen van inlichtingen bij onder andere [eiser] , de penitentiaire inrichting, de reclassering en de Centrale Voorziening VI, op straffe van een dwangsom, een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten.
3.2.
Daartoe stelt [eiser] – samengevat – het volgende. De Staat handelt onrechtmatig en onzorgvuldig ten opzichte van [eiser] , omdat de verdere tenuitvoerlegging van de in België aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf in Nederland het risico op strafverzwaring met zich meebrengt. De Staat weigert ten onrechte om toepassing te geven aan de bevoegdheid van artikel 6:2:10 lid 4 Sv en had gelet op de beschikbare informatie over [eiser] , zijn vooruitzicht op werk en zijn gedrag in detentie nader onderzoek moeten doen met betrekking tot de vraag of in de situatie van [eiser] sprake is van strafverzwaring. Verder biedt de gratieprocedure geen voldoende vangnet om het risico op strafverzwaring tegen te gaan, omdat die procedure structurele gebreken kent en minder waarborgen biedt dan de procedure voor de Belgische Strafuitvoeringsrechtbank (Surb). Ten slotte handelt de Staat in strijd met bepalingen in het Handvest van de EU, omdat sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid tussen Belgische en Nederlandse onderdanen bij de tenuitvoerlegging van Belgische straffen en omdat de straf van [eiser] feitelijk veel zwaarder uitvalt dan de Belgische strafrechter bij het opleggen ervan voor ogen heeft gehad.
3.3.
De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
Tussen partijen is in geschil of er aanleiding bestaat om de Staat te verplichten om [eiser] in vrijheid te stellen en ten gunste van hem te beslissen op het verzoek om toepassing van artikel 6:2:10 lid 4 Sv, althans om nader onderzoek te doen met betrekking tot de vraag of voortzetting van de gevangenisstraf van [eiser] leidt tot een strafverzwaring.
4.2.
De tenuitvoerlegging van straffen wordt op grond van artikel 17 lid 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 (het Kaderbesluit) beheerst door het recht van de tenuitvoerleggingsstaat. In artikel 17 lid 4 van het Kaderbesluit is vastgelegd dat een lidstaat kan bepalen dat in de beslissing tot vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling tevens rekening kan worden gehouden met de door de beslissingsstaat aangegeven bepalingen van nationaal recht op grond waarvan de gevonniste persoon op een bepaald tijdstip recht heeft op voorwaardelijke invrijheidstelling. Als een in het buitenland opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig de WETS in Nederland ten uitvoer wordt gelegd, wordt de regeling van de VI toegepast zoals neergelegd in artikel 6:2:10 lid 1 tot en met 3 Sv. Dit betekent dat op de situatie van [eiser] in beginsel de Nederlandse VI-regeling van toepassing is, die voorziet in de mogelijkheid van voorwaardelijke invrijheidstelling na het ondergaan van twee derde van de straf.
4.3.
Op grond van artikel 6:2:10 lid 4 onder a Sv kan de Minister echter bepalen dat de VI op een eerder tijdstip kan plaatsvinden. Voor gebruikmaking van die bevoegdheid moet met voldoende mate van zekerheid vaststaan dat in de beslissingsstaat op een eerdere datum toepassing zou zijn gegeven aan een regeling die strekt tot vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling. Daarmee wordt voorkomen dat de aan de veroordeelde opgelegde straf wordt verzwaard, in die zin dat de veroordeelde als gevolg van de tenuitvoerlegging van de in het buitenland opgelegde straf in Nederland feitelijk een groter deel van die straf moet ondergaan dan wanneer deze straf in de beslissingsstaat ten uitvoer zou zijn gelegd.
4.4.
In het geval van [eiser] heeft de Minister voor Rechtsbescherming bij de beslissing over de overname van de tenuitvoerlegging van het Belgische vonnis geoordeeld dat de toekenning van VI bij voortzetting van de tenuitvoerlegging van de aan [eiser] opgelegde straf in België niet met een grote mate van waarschijnlijkheid vast staat, zodat geen aanleiding wordt gezien voor de toepassing van de Belgische VI-regeling (zie hiervoor in 2.2.). Voor die situatie geldt dat wanneer zich nadien feiten en omstandigheden voordoen op grond waarvan kan worden vastgesteld dat onverkorte tenuitvoerlegging van de straf leidt tot een strafverzwaring als hiervoor bedoeld, de minister (alsnog) toepassing kan geven aan de bevoegdheid van artikel 6:2:10 lid 4 Sv, dan wel de gratieprocedure als vangnet dient om strafverzwaring te voorkomen.
4.5.
De Staat heeft onder verwijzing naar een tweetal arresten van de Hoge Raad (Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:88 en ECLI:NL:HR:2025:89) naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht betoogd dat het in 4.4. geschetste beleid van de Staat [eiser] toereikende mogelijkheden geeft om (het risico op) strafverzwaring af te wenden. [eiser] heeft de mogelijkheden die hem ten dienste staan ook benut. Hij heeft de minister inmiddels tweemaal verzocht om gebruik te maken van de bevoegdheid van artikel 6:2:10 lid 4 Sv en op beide verzoeken is afwijzend beslist. Daarnaast heeft [eiser] verzocht om gratie en ook dat verzoek is gemotiveerd afgewezen, waarbij is verwezen naar de door het Openbaar Ministerie en het hof gegeven adviezen.
4.6.
[eiser] heeft onder meer naar voren gebracht dat door het voorlichtingsrapport en het reclasseringsadvies inmiddels meer informatie over hem beschikbaar is, dat hij uitzicht heeft op werk en dat hij zich goed gedraagt in detentie. Volgens [eiser] had de Staat daarom nader onderzoek moeten doen naar het mogelijke risico op strafverzwaring voor [eiser] .
4.7.
Voor zover [eiser] heeft gesteld dat zijn gedrag in detentie aanleiding zou moeten geven voor toepassing van artikel 6:2:10 lid 4 Sv overweegt de voorzieningenrechter dat de Hoge Raad in de hiervoor in 4.5. genoemde arresten heeft geoordeeld dat als de omstandigheden die in de beslissingsstaat (België) aanleiding kunnen geven tot VI uitsluitend of hoofdzakelijk zijn gelegen in de wijze waarop de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf verloopt (met name wanneer het gaat om het gedrag van de veroordeelde tijdens de detentie), in beginsel geen aanleiding zal bestaan voor toepassing van artikel 6:2:10 lid 4 Sv. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] niet concreet gemaakt waarom dit in zijn situatie anders zou zijn.
4.8.
Het Openbaar Ministerie en het hof hebben de door [eiser] genoemde omstandigheden al meegewogen in hun (nadere) adviezen in het kader van de gratieprocedure en zij hebben daarin geen rechtvaardiging gezien voor de conclusie dat sprake is van strafverzwaring. [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt waarom deze omstandigheden nu aanleiding zouden moeten geven om de Staat te verplichten om alsnog ten gunste van [eiser] toepassing te geven aan artikel 6:2:10 lid 4 Sv. De stelling van [eiser] dat het advies van het hof in het kader van zijn verzoek om gratie onjuist is geweest, omdat het miskent dat een veroordeelde in België ook bij het risico op recidive in aanmerking kan komen voor VI, maakt het voorgaande niet anders. [eiser] heeft immers onvoldoende onderbouwd dat het risico op recidive bij de beoordeling van het gratieverzoek in het geheel geen rol mag spelen, terwijl bovendien vaststaat dat het hof ook andere omstandigheden heeft meegewogen. Dat het advies van het hof en de daarop gebaseerde beslissing op het gratieverzoek onjuist zijn geweest is dan ook niet aannemelijk geworden.
4.9.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] nog naar voren gebracht dat zijn medeverdachten inmiddels wel in vrijheid zijn gesteld. Ook die stelling kan [eiser] niet baten. Een voorwaardelijke of vervroegde invrijheidstelling van die medeverdachten betekent niet per definitie dat ook [eiser] in België al voor VI in aanmerking zou zijn gekomen. VI na ommekomst van een derde van de straf is in België immers geen automatisme, maar hangt af van bijzondere, persoonlijke omstandigheden, en [eiser] heeft niet onderbouwd op welke gronden de door hem gestelde invrijheidstelling van zijn medeverdachten heeft plaatsgevonden. Alleen al daarom kan niet zonder meer worden aangenomen dat die gronden ook op de situatie van [eiser] van toepassing zijn en dat hij in België al voorwaardelijk in vrijheid zou zijn gesteld.
4.10.
Verder heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat de gratieprocedure geen toereikende mogelijkheid biedt om verkorting van de duur van zijn straf te bewerkstelligen, omdat die procedure structurele gebreken kent. Volgens [eiser] is de gratieprocedure in Nederland veel minder effectief om strafverzwaring te voorkomen dan de procedure voor de Surb in België. [eiser] heeft er in dit verband op gewezen dat de procedure voor de Surb meer waarborgen biedt omdat in die procedure veel meer ruimte is voor onderzoek en dossiervorming, waarbij onder meer een sociaal reclasseringsplan wordt opgesteld, terwijl hij in Nederland zelf verantwoordelijk is voor het samenstellen van een dossier. De voorzieningenrechter volgt [eiser] niet in zijn betoog. Bij de beoordeling van het gratieverzoek zijn immers zowel het met betrekking tot [eiser] opgestelde voorlichtingsrapport als het reclasseringsadvies betrokken en [eiser] heeft daar tegenover niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoek en de dossiervorming in de procedure in Nederland ontoereikend zijn geweest. Dat [eiser] in Nederland zelf verantwoordelijk is voor het aanleveren van informatie ter onderbouwing van zijn gratieverzoek, maakt het voorgaande niet anders en betekent in ieder geval niet dat het beleid van de Staat op dit punt onrechtmatig is. Tegen de achtergrond van het voorgaande is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gebleken dat de procedure in Nederland voor [eiser] ongunstiger is geweest dan de procedure voor de Surb.
4.11.
Tijdens de mondelinge behandeling is door [eiser] nog naar voren gebracht dat bij het overnemen van straffen sprake moet zijn van gefinancierde rechtsbijstand en dat aan de veroordeelde moet worden uitgelegd dat hij een gratieverzoek kan indienen. Hoewel aan [eiser] moet worden toegegeven dat dit in algemene zin wellicht aan te bevelen is, heeft hij niet toegelicht dat hij in zijn concrete situatie nadeel heeft ondervonden van het ontbreken van financiële middelen en/of een nadere uitleg van de zijde van de Staat. Dat de Staat op dit punt onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [eiser] of dat de gratieprocedure met onvoldoende waarborgen is omkleed is dan ook niet gebleken.
4.12.
Mede gelet op de inhoud van het advies van het hof (zie hiervoor in 2.6.) moet er vooralsnog vanuit moet worden gegaan dat [eiser] ook in België nog niet in aanmerking zou zijn gekomen voor VI. Hiertegenover heeft [eiser] niet aannemelijk gemaakt dat de VI-regeling in Nederland voor hem nadeliger is dan de Belgische of dat de gevangenisstraf die hij in Nederland ondergaat onevenredig zwaarder is dan deze in België zou zijn geweest. Van strijdigheid met bepalingen in het Handvest van de EU is dan ook niet gebleken.
4.13.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat niet valt in te zien op grond waarvan op dit moment op de Staat de verplichting rust om de minister op te dragen om alsnog gebruik te maken van de bevoegdheid van artikel 6:2:10 lid 4 Sv of om nader onderzoek te doen met betrekking tot de situatie van [eiser] . Dit betekent dat de vorderingen worden afgewezen.
4.14.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en hij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht
714,--
- salaris advocaat
1.107,--
- nakosten
€ 178,--
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.999,--
4.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst het gevorderde af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de zijde van de Staat zijn begroot op € 1.999,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,-- extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2026.
mvt