Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 27 juli 2025 en had zes maanden de tijd om te beslissen, maar heeft dit niet gedaan. Eiseres stelde de minister tijdig in gebreke en diende daarna het beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is. De minister wordt opgedragen binnen zestien weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen, waarbij eerst binnen acht weken een nader gehoor over de asielmotieven moet plaatsvinden. Voor elke dag dat de minister deze termijn overschrijdt, is een dwangsom van € 100,- opgelegd, met een maximum van € 15.000,-.
Daarnaast krijgt eiseres een proceskostenvergoeding van € 467,- toegekend vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp. De rechtbank wijst erop dat de wettelijke bepalingen over bestuurlijke dwangsommen sinds 15 april 2025 niet meer van kracht zijn, waardoor de hoogte van reeds verbeurde dwangsommen niet kan worden vastgesteld.
De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier N.B. Yalcinkaya en is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026.