ECLI:NL:RBDHA:2026:663

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
NL25.31865
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van een Gambiaanse minderjarige homoseksuele vreemdeling

Deze uitspraak betreft de afwijzing van de asielaanvraag van een Gambiaanse minderjarige, die homoseksueel is en vreest voor vervolging in zijn thuisland. De rechtbank heeft op 16 januari 2026 geoordeeld dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft, maar dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de eiser, ondanks zijn jonge leeftijd, meer had moeten verklaren over het ontstaan van zijn homoseksuele gevoelens. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is, maar laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand, omdat de minister voldoende heeft aangetoond dat de homoseksuele gerichtheid van de eiser niet aannemelijk is gemaakt. De rechtbank heeft de verschillende elementen van de zaak besproken, waaronder de geloofwaardigheid van de verklaringen van de eiser over zijn homoseksualiteit, de incidenten in Gambia, en de benadering door junglesoldaten. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister niet ten onrechte heeft geoordeeld dat de verklaringen van de eiser inconsistent en onvoldoende onderbouwd zijn. De rechtbank heeft de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de eiser, die op € 1.868 zijn vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.31865

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. H.M. Schurink-Smit),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. L.J.M. Rog).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft. De rechtbank oordeelt wel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser ondanks zijn leeftijd meer had moeten en kunnen verklaren over het startpunt van zijn homoseksuele gevoelens. Het beroep is daarom gegrond, maar de rechtbank laat de rechtsgevolgen in stand omdat de verdere motivering van de minister het besluit kan dragen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 en 4 zet de rechtbank het asielrelaas van eiser en (de beoordeling van) zijn asielmotieven uiteen. Onder 5 en verder gaat de rechtbank in op de verschillende elementen van de beoordeling van eisers homoseksuele gerichtheid. In overweging 13 en verder bespreekt de rechtbank het asielmotief dat eiser zou zijn benaderd door junglesoldaten. Onder 14 en verder staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 24 januari 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 14 juli 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag – samengevat – ten grondslag dat hij is geboren op [geboortedatum] 2008, de Gambiaanse nationaliteit heeft en tot de Fulah bevolkingsgroep behoort. Eiser stelt homoseksueel te zijn en daardoor problemen te hebben gehad in Gambia. Toen hij ongeveer 12 jaar oud ontwikkelde hij gevoelens voor zijn geadopteerde broer en had hij ook een droom over hem. Zijn vader had zelf een regenboogvlag in huis en vertelde hem dat het in andere landen normaal was als twee mannen een relatie hadden. Eiser en zijn geadopteerde broer werden meerdere keren buitenshuis betrapt en na het vierde incident heeft eiser Gambia verlaten. Als gevolg van de incidenten heeft eiser ook een trauma opgelopen. Bij terugkeer naar Gambia vreest eiser dat hij vanwege zijn homoseksualiteit wordt gedood. Ook is aan eiser gevraagd of hij zich wilde aansluiten bij de junglesoldaten en hij vreest bij terugkeer door hen te worden gezocht. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij na zijn vertrek uit Gambia geen moslim meer is en daardoor bij terugkeer ook problemen kan krijgen in Gambia.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- homoseksuele gerichtheid en de daaraan verwante problemen;
- afvalligheid van de islam;
- benadering door junglesoldaten.
4.1.
De minister acht de asielmotieven identiteit, nationaliteit en herkomst en afvalligheid van de islam geloofwaardig. De asielmotieven homoseksuele gerichtheid en de daaraan verwante problemen en de benadering door junglesoldaten worden door de minister niet geloofwaardig geacht. De geloofwaardig geachte verklaringen van eiser bieden volgens de minister ook geen aanknopingspunten om aan te nemen dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft. Dat eiser uit Gambia komt is op zichzelf niet genoeg om een vluchteling te zijn en hij heeft zijn vrees voor problemen bij terugkeer naar Gambia omdat hij geen moslim meer is, niet onderbouwd. Eiser loopt bij terugkeer naar Gambia geen reëel risico op ernstige schade.
Acht de minister eisers homoseksuele gerichtheid ten onrechte ongeloofwaardig?
5. Niet in geschil is dat eiser zijn verklaringen over zijn homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval omdat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en dus niet wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000. De minister werpt in dat kader tegen dat eiser vaag en wisselend heeft verklaard over het moment dat hij voor het eerst homoseksuele gevoelens had, over de rol van zijn vader, over het buitenshuis uiten van die gevoelens, over het contact met zijn moeder en over het aantal keren dat hij problemen heeft ondervonden.
5.1.
Eiser betoogt dat de minister zijn homoseksuele gerichtheid ten onrechte ongeloofwaardig acht. Hij voert hier een aantal argumenten voor aan. Hieronder zal de rechtbank deze bespreken.
Heeft de minister voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser?
6. In de eerste plaats betoogt eiser dat de minister bij de beoordeling van zijn verklaringen onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. De minister heeft geen rekening gehouden met de jonge leeftijd van eiser ten tijde van de ontwikkeling van zijn homoseksuele gevoelens en ook niet met zijn jonge leeftijd tijdens zijn asielverklaringen. Ook gelooft de minister eisers trauma, maar vervolgens is het trauma onvoldoende betrokken bij eisers referentiekader.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank moet de minister bij het beoordelen van verklaringen rekening houden met het referentiekader van de vreemdeling. Het expliciet opnemen van het referentiekader acht de rechtbank echter niet noodzakelijk of doorslaggevend. Het gaat erom of de belangrijke onderdelen van het referentiekader, waaronder in het geval van eiser zijn leeftijd en trauma, kenbaar gemotiveerd in het besluit zijn betrokken. Of dat het geval is zal de rechtbank bij de betreffende verklaringen beoordelen.
Het startpunt van eisers homoseksuele gevoelens
7. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij niet wordt geloofd in zijn verklaringen over het startpunt en het ontstaan van zijn homoseksuele gevoelens en daarbij onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader.
7.1.
Dit betoog slaagt. In het voornemen heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het startpunt van zijn gevoelens voor mannen. Eiser had namelijk wisselend verklaard over of hij al vóór de droom over zijn geadopteerde broer gevoelens voor hem had. Naar aanleiding van de uitgebreide verklaring van eiser in de zienswijze werpt de minister in het bestreden besluit echter niet langer tegen dat eiser hierover tegenstrijdig heeft verklaard. Ook erkent de minister dat van eiser geen gedetailleerde verklaringen kunnen worden verwacht vanwege zijn leeftijd. Toch acht de minister het asielrelaas op dit punt nog steeds ongeloofwaardig omdat eiser onvoldoende inzicht zou hebben verschaft in dat startpunt van zijn gevoelens. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister echter niet deugdelijk gemotiveerd wat dan nog meer verlangd kon worden en evenmin gemotiveerd hoe rekening gehouden is met de leeftijd van eiser bij de beoordeling van zijn verklaringen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat eiser ongeveer 12 jaar oud was toen hij naar eigen zeggen deze gevoelens ontdekte en ontwikkelde en dat eiser tijdens het afnemen van het nader gehoor en het nemen van het bestreden besluit 17 jaar oud was. Het besluit kent daarom een motiveringsgebrek en de beroepsgrond slaagt.
7.2.
Op de zitting heeft de minister verklaard dat ook zonder deze tegenwerping het asielmotief ongeloofwaardig wordt geacht, gelet op de andere vaagheden en tegenstrijdigheden. De rechtbank zal die tegenwerpingen daarom ook beoordelen in het kader van de vraag of de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen blijven.
Tegenstrijdige verklaringen rol van vader
8. Eiser erkent dat hij tegenstrijdig over zijn vader heeft verklaard door tijdens het verhoor door de vreemdelingenpolitie en het aanmeldgehoor te verklaren dat hij zijn vader nooit heeft gekend en dat die is overleden toen hij vier jaar was, terwijl hij tijdens zijn nader gehoor heeft verklaard over de rol die zijn vader speelde bij het accepteren van zijn homoseksuele gevoelens en de gesprekken die hij daarover voerde. Dit kwam volgens eiser echter omdat hij niet goed op de hoogte was van de procedure en angst had voor het verklaren over zijn homoseksualiteit. Ook zijn leeftijd en trauma spelen mee. De acceptatie van zijn homoseksualiteit en zijn vader zijn voor eiser namelijk onlosmakelijk met elkaar verbonden. Eiser wijst er verder op dat dit juridisch gezien niet zo is. Een tegenstrijdigheid over het overlijden van zijn vader kan dan ook niet een reden zijn om een verklaring over zijn homoseksualiteit ongeloofwaardig te achten. Het juridisch onderscheid tussen deze twee punten wordt ten onrechte aangemerkt als tegenstrijdigheid.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat de tegenstrijdige verklaringen over het overlijden van eisers vader afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen over zijn homoseksualiteit. Eiser heeft bij de vreemdelingenpolitie verklaard dat hij zijn vader nooit heeft gekend. [1] In het aanmeldgehoor met schouw heeft hij verklaard dat zijn vader overleed toen eiser vier jaar oud was. [2] Dat eiser hier aanvankelijk over zou hebben gelogen omdat hij zijn homoseksualiteit wilde verzwijgen heeft de minister niet hoeven volgen. Eiser had immers de (naar hij nu stelt) juiste overlijdensdatum van zijn vader kunnen noemen zonder over zijn homoseksualiteit te spreken, zodat de minister daarin geen verklaring hoefde te zien. Verder is hier al tijdens het nader gehoor [3] naar gevraagd. Toen stelde eiser nog dat het vertaalfouten waren. Dat er meerdere keren een vertaalfout is gemaakt, acht de minister echter niet ten onrechte niet aannemelijk. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn betoog dat het overlijden van zijn vader en zijn homoseksualiteit juridisch gezien los van elkaar staan. De minister stelt namelijk niet ten onrechte dat als de vader van eiser van invloed is geweest op het proces van eisers ontwikkeling van zijn homoseksualiteit, er ook mag worden verwacht dat eiser consistent en inzichtelijk verklaart over of zijn vader op dat moment nog in leven was.
Uitingen homoseksualiteit
9. Daarnaast betoogt eiser dat de minister ten onrechte aan hem heeft tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het uiten van zijn homoseksualiteit in Gambia. De minister meent dat eiser enerzijds heeft verklaard dat hij in het openbaar intiem was met zijn partner en anderzijds heeft aangegeven dat dit in het openbaar niet mogelijk was. Dit klopt volgens eiser niet, de minister interpreteert zijn verklaringen verkeerd. Hij sprak alleen over wat zou gebeuren als hij daadwerkelijk intiem was in het openbaar. Eiser betoogt verder dat het feit dat hij is betrapt niet wil zeggen dat hij altijd in het openbaar intiem was met zijn partner aangezien eiser dit zoveel mogelijk probeerde te voorkomen. Als minderjarige kon hij bovendien een minder goede risico-inschatting maken.
Daarnaast volgt eiser niet waarom de minister tegenwerpt dat hij ondanks zijn vrees om te worden gedood, wel uiting heeft gegeven aan zijn gevoelens. Volgens eiser is onduidelijk wat de minister dan wel van eiser verwacht. Hij heeft zijn gevoelens alleen in een privé-setting geuit, maar daarbij aangegeven dat hij voor hem lastig is om het te verbergen omdat dit bij hem hoort. Eiser heeft nooit verklaard dat hij ‘gewoon’ uiting heeft gegeven aan zijn gevoelens. Juist de verklaring over eisers worsteling tussen weten wie je bent en daaraan uiting geven en aan de andere kant weten dat dit gevaarlijk is, is een reële weergave van zijn situatie.
9.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het uiten van zijn homoseksualiteit in Gambia. Op pagina 31 van het nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij in Gambia geen uiting kon geven aan zijn gevoelens voor zijn geadopteerde broer en dat zij daarom binnen bleven. Dit rijmt niet met de verklaringen verderop op pagina 31 van het nader gehoor dat eiser samen met zijn geadopteerde broer is betrapt toen zij buiten intiem waren en dat zij continu in de gaten werden gehouden. Ook blijkt uit de verklaringen op pagina 36 van het nader gehoor dat mensen eiser en zijn geadopteerde broer hebben betrapt toen zij aan het zoenen waren in het bos. Aan de ene kant verklaart eiser dus dat zij binnen moesten blijven en aan de andere kant dat zij buiten zijn betrapt. Ook heeft de minister niet ten onrechte tegengeworpen dat eiser vaag en summier heeft verklaard over waarom hij met zijn geadopteerde broer buiten ging zoenen terwijl hij wist dat zij door de gemeenschap in de gaten werden gehouden. [4] Van eiser mag worden verwacht dat hij inzichtelijk maakt waarom hij alsnog het risico heeft genomen om buiten zijn gevoelens te uiten terwijl hij wist dat dit gevaarlijk was. Dat hij vanwege zijn leeftijd moeilijker een risico-inschatting kan maken, verklaart dit niet. Eiser verklaart immers zelf dat hij wist wat de gevaren waren, zodat de minister niet ten onrechte niet volgt dat eiser het gevaar vervolgens opzoekt.
Incidenten en risico’s
10. Eiser betoogt verder dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat hij heeft aangegeven dat er sprake was van drie incidenten in plaats van vier incidenten. Omdat het vierde incident veel minder ernstig was en eiser toen niet is gemarteld, heeft hij deze gebeurtenis niet onder de incidenten geschaard. Het standpunt van de minister dat het vierde incident eiser heeft doen besluiten om weg te gaan en daarom kan worden gekwalificeerd als incident, is te formalistisch. Het feit dat eiser iets een incident heeft genoemd kan hem gelet op zijn geringe opleiding en leeftijd en zijn trauma niet worden tegengeworpen.
10.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser wisselend heeft verklaard over het aantal incidenten dat zich heeft voorgedaan in Gambia. Op pagina 35 van het nader gehoor verklaart eiser dat er in Gambia drie incidenten zijn gebeurd. Op pagina 42 verklaart eiser, naar aanleiding van de vraag waarom hij twee maanden na het derde incident besloot om het land te verlaten, ineens over een vierde incident waarbij hij is opgepakt, gevangen heeft gezeten, heeft kunnen ontsnappen en het land heeft verlaten. De minister mag van eiser verwachten dat hij consistenter verklaart over de incidenten in Gambia, zeker omdat dat laatste incident aanleiding was om te vluchten. Eisers jonge leeftijd doet daar niet aan af. De minister hoeft eiser ook niet te volgen in zijn betoog dat hij het laatste niet als incident beschouwde omdat er bij de eerste incidenten sprake was van marteling en het vierde incident ‘slechts’ een opsluiting was. Dit rijmt immers niet met eisers verklaringen dat hij is opgepakt, vast heeft gezeten en is ontsnapt. Dat eiser wordt behandeld voor zijn trauma maak evenmin dat dergelijke wisselingen in zijn verklaringen verschoonbaar zijn.
Verklaringen over moeder
11. Verder betoogt eiser dat de minister hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij wisselend heeft verklaard over zijn moeder.
11.1.
De minister stelt terecht vast dat eiser op pagina 39 van het nader gehoor heeft verklaard dat zijn moeder vanaf de arrestatie van zijn vader tot aan zijn vertrek opgesloten zat, en dat hij haar niet meer kon zien en niet meer met haar kon praten, terwijl eiser op pagina 7 van het nader gehoor heeft verklaard dat hij in de nacht wel eens ontsnapte om met zijn moeder te praten. Daar komt bij dat de minister zich op de zitting terecht op het standpunt heeft gesteld dat in beroep een verklaring van de GGZ is overgelegd die nog weer tegenstrijdig is met de verklaringen in het nader gehoor. In die verklaring van de GGZ staat dat eiser na het overlijden van zijn vader, met zijn moeder naar Senegal is gegaan en daar enige tijd heeft verbleven. Deze verklaring komt in grote lijnen overeen met de verklaringen van eiser in zijn ‘Schouw Aanmeldgehoor AMV’ en ‘Aanmeldgehoor AMV verkort’, waarin hij aangeeft na het overlijden van zijn vader één of twee jaar in Senegal te hebben verbleven met zijn moeder, die daar ook een baby zou hebben gekregen. Niet alleen past dit verblijf niet in de tijdlijn zoals eiser die in zijn nader gehoor heeft geschetst, maar dit is ook tegenstrijdig met eisers verklaring dat zijn moeder vanaf de arrestatie van zijn vader tot aan eisers vertrek opgesloten zat in Gambia.
Brief COC over contacten in Nederland
12. In de beroepsfase heeft eiser een brief van COC Nederland overgelegd over zijn contacten in Nederland. In die brief staat dat eiser sinds mei 2025 regelmatig naar de maandelijkse Cocktail [naam plaats] inloop meetings gaat.
12.1.
Met deze brief heeft eiser zijn homoseksuele gerichtheid niet aannemelijk gemaakt. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat een ieder naar activiteiten van het COC kan gaan, zodat dat weinig zegt over iemands daadwerkelijke geaardheid. Verder merkt de minister terecht op dat eiser in zijn nader gehoor heeft verklaard dat hij al een jaar, dus sinds januari 2024 bijeenkomsten van het COC bezocht, wat strijdig is met de verklaring van het COC dat eiser pas vanaf mei 2025 bijeenkomsten van COC Cocktail [naam plaats] voor LHBTI+ vluchtelingen bezoekt. Ook verder blijkt niet dat eiser al eerder naar bijeenkomsten van het COC ging. Mede gelet daarop heeft de minister ook kunnen opmerken dat eiser kennelijk pas ná het uitbrengen van het afwijzende voornemen naar bijeenkomsten van het COC zou zijn gegaan. Zodoende komt de rechtbank tot het oordeel dat de brief van het COC geen afbreuk doet aan het eerdere oordeel hierboven dat de minister de homoseksuele gerichtheid van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.
Acht de minister de benadering van eiser door junglesoldaten ten onrechte ongeloofwaardig?
13. Niet in geschil is dat eiser zijn verklaringen over de junglesoldaten ook niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval omdat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en dus niet wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000. De minister werpt in dat kader tegen dat eiser wisselend verklaart over het aantal keren dat hij is benaderd en door wie dat zou zijn gebeurd.
13.1.
Eiser betoogt dat de minister ten onrechte aan hem tegenwerpt dat hij eerst heeft verklaard dat hij maar één keer is benaderd door de junglesoldaten, terwijl hij later verklaart dat dit meerdere keren is gebeurd. Dit terwijl eiser heeft verklaard dat hij één keer officieel is benaderd, de andere keren waren officieus. Er is niet aangegeven op welke manier de minister rekening heeft gehouden met zijn jonge leeftijd. Eiser heeft steeds consistent verklaard over de manier van benadering en zijn verklaringen zijn voldoende. Ook stelt de minister ten onrechte dat eiser meer had moeten kunnen verklaren over hetgeen waar hij van overtuigd werd. Eiser heeft echter aangegeven dat is geprobeerd om hem te overtuigen om junglesoldaat te worden. Het was voor hem niet duidelijk of dit voor het leger of voor de gemeenschap was en dit is hem op zijn 12e gevraagd. Ook hier is geen rekening gehouden met zijn leeftijd en zijn trauma.
13.2.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser niet geloofwaardig heeft verklaard over het asielmotief benadering door junglesoldaten. De minister heeft om te beginnen terecht aan eiser tegengeworpen dat hij wisselend heeft verklaard over het aantal keren dat hij is benaderd door junglesoldaten. Op pagina 8 van het nader gehoor verklaart eiser dat hij op zijn 12e door een medewerker van de overheid is gevraagd of hij in het leger wilde, dat hij toen bang was en dat dit ook een van de redenen was waarom hij is gevlucht. Vervolgens is gevraagd of eiser na die ene keer ooit nog is gevraagd om zich aan te sluiten bij het leger, waarop hij heeft verklaard dat hij daarna niet meer is gevraagd. Op pagina 43 van het nader gehoor verwijst de hoormedewerker naar de verklaring van eiser dat hij was gevraagd om het leger in te gaan, waarop eiser heeft geantwoord dat hij vaker, namelijk drie keer, is benaderd voor het leger. Dit heeft de minister terecht tegenstrijdig geacht. De verklaring van eiser dat het slechts de eerste keer serieus was en dat hij daarom die latere benaderingen niet had genoemd, [5] heeft de minister niet hoeven volgen. Hem was in eerste instantie immers al expliciet gevraagd of hij na die ene keer ooit nog is gevraagd. Dan valt niet in te zien waarom eiser die latere keren niet heeft gemeld. De minister mag, ondanks de jonge leeftijd van eiser, van hem verwachten dat hij consistent kan verklaren over het aantal keren dat hij is benaderd door het leger. Daar komt bij dat de minister ook terecht tegenwerpt dat eiser wisselend heeft verklaard over wie hem heeft benaderd voor het leger. Eerst heeft eiser verklaard dat hij was benaderd door een medewerker van de overheid [6] , later verklaart eiser dat hij is benaderd door een junglesoldaat en dat vrienden van zijn vader hem hebben benaderd. [7] Ook blijkt uit zijn verklaring op pagina 43 van het nader gehoor dat eiser zelf eigenlijk helemaal niet weet door welke partij hij is benaderd, door het overheidsleger of een groepering voor de gemeenschap. De minister heeft daarbij terecht opgemerkt dat van eiser gezien zijn leeftijd niet wordt verwacht dat hij volledig inzicht kan geven in alle politieke ins en outs, maar dat hij wel van eiser mag verwachten dat hij weet waar hij voor werd gerekruteerd. [8]

Conclusie en gevolgen

14. Vanwege het onder 7.1. geconstateerde motiveringsgebrek is het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. De rechtbank oordeelt echter dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven. [9] De minister heeft namelijk deugdelijk gemotiveerd waarom eiser met de andere verklaringen zijn homoseksualiteit niet aannemelijk heeft gemaakt.
14.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van €934,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Pagina 2 van het proces-verbaal bij de politie.
2.Pagina 5 van het aanmeldgehoor.
3.Pagina 13, 24 en 25 van het nader gehoor.
4.Pagina 37 nader gehoor.
5.Pagina 44 nader gehoor.
6.Pagina 9 nader gehoor.
7.Pagina 43 nader gehoor.
8.Idem.
9.Artikel 8:72, derde lid, onder a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.