Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 22 maart 2024 ontvangen, met een beslistermijn van zes maanden. De minister heeft niet binnen deze termijn beslist, ondanks een tijdige ingebrekestelling op 2 december 2025.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is. De minister wordt opgedragen binnen acht weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen. Deze termijn is korter dan de wettelijke zes maanden vanwege het belang van snelle en zorgvuldige besluitvorming en het feit dat eiseres nog niet is gehoord over haar asielmotieven.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt. De minister wordt ook veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres van € 467,-, omdat zij een professionele gemachtigde inschakelde en de zaak alleen over de overschrijding van de beslistermijn ging.
De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier N.B. Yalcinkaya en is op 24 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.