ECLI:NL:RBDHA:2026:6644
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugkeerbesluit en beëindiging tijdelijke bescherming Oekraïense ontheemde
Eiser, een Ghanese nationaliteit dragende ontheemde uit Oekraïne, betwist het terugkeerbesluit van 22 juli 2025 waarbij zijn verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) is beëindigd. Hij stelt dat de implementatie van de RTB onjuist is, dat hij recht heeft op een verblijfsvergunning en dat de minister niet bevoegd was de facultatieve tijdelijke bescherming te beëindigen.
De rechtbank overweegt dat de RTB lidstaten de vrijheid geeft om de vorm van verblijfstitel te bepalen en dat Nederland een systeem hanteert waarbij ontheemden een asielaanvraag moeten indienen. De minister was niet verplicht een verblijfsvergunning te verlenen en de intrekkingsprocedure was niet vereist. Jurisprudentie van het Hof van Justitie en de Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dat lidstaten facultatieve tijdelijke bescherming eerder mogen beëindigen.
Verder oordeelt de rechtbank dat het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel niet zijn geschonden. Er is geen toezegging gedaan dat de bescherming onvoorwaardelijk zou duren en een individuele belangenafweging is niet vereist omdat de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 van rechtswege eindigde. De minister hoefde eiser niet voorafgaand aan het besluit te horen, aangezien hij gelegenheid had zijn zienswijze in te dienen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, het terugkeerbesluit blijft in stand en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.