ECLI:NL:RBDHA:2026:6684
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-betaling griffierecht en onduidelijk verblijfadres
Verzoeker diende op 30 oktober 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning, welke door de minister van Asiel en Migratie op 9 december 2025 werd afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening bij de rechtbank Den Haag.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting omdat het kennelijk niet-ontvankelijk was. Dit was het geval omdat het griffierecht van €194,- niet was betaald binnen de gestelde termijn. De griffier had verzoeker per aangetekende brief op 1 januari 2026 verzocht het griffierecht binnen twee weken te voldoen, maar deze brief werd retour gezonden met de vermelding dat de geadresseerde onbekend was.
Verder bleek uit onderzoek dat verzoeker niet bekend is in de basisregistratie personen en dat het opgegeven postadres een bedrijventerrein is waar meerdere verzoeken met hetzelfde adres werden ingediend. Ook was het ondernemingsplan identiek aan dat van andere verzoekers. Hierdoor was onduidelijk waar verzoeker daadwerkelijk verblijft, wat relevant is voor de voorlopige voorziening.
Gezien het niet betalen van het griffierecht en de onduidelijkheid over het verblijfadres, achtte de voorzieningenrechter het niet verontschuldigbaar dat het griffierecht niet was voldaan en verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk. Er werd geen inhoudelijke beoordeling gegeven en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en onduidelijkheid over het verblijfadres van verzoeker.