ECLI:NL:RBDHA:2026:6693
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-betaling griffierecht en onduidelijk verblijfplaats
Verzoeker diende op 30 oktober 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning, die op 9 december 2025 door de minister van Asiel en Migratie werd afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting omdat het kennelijk niet-ontvankelijk was.
De kern van de afwijzing lag in het niet betalen van het griffierecht van €194,- binnen de gestelde termijn. De griffier had verzoeker per aangetekende brief op 1 januari 2026 verzocht het griffierecht binnen twee weken te voldoen, maar deze brief werd retour gezonden met de vermelding dat de geadresseerde onbekend was. Verder bleek uit onderzoek dat verzoeker niet bekend is in de basisregistratie personen en dat het opgegeven postadres een bedrijventerrein is waar meerdere verzoeken met hetzelfde adres werden ingediend.
Daarnaast vertoonde het ingediende ondernemingsplan opvallende gelijkenissen met andere verzoeken, wat de voorzieningenrechter deed twijfelen aan de authenticiteit en verblijfplaats van verzoeker. Gezien deze omstandigheden en het ontbreken van een verontschuldiging voor het niet betalen van het griffierecht, werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard en niet inhoudelijk beoordeeld.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en onduidelijkheid over de verblijfplaats van verzoeker.