ECLI:NL:RBDHA:2026:6699
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-betaling griffierecht en twijfel over identiteit verzoeker
Verzoeker diende op 15 oktober 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning, die op 18 november 2025 door de minister werd afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting omdat het kennelijk niet-ontvankelijk was wegens niet-betaling van het griffierecht van €194.
Verzoeker deed een beroep op betalingsonmacht, maar reageerde niet tijdig op verzoeken om dit te onderbouwen. Later bleek uit het ondernemingsplan dat verzoeker voldoende vermogen had om het griffierecht te voldoen. Pogingen om het griffierecht te betalen mislukten doordat aangetekende post niet werd ontvangen, mede doordat het postadres onduidelijk was en verzoeker onbekend was in de basisregistratie personen.
De voorzieningenrechter constateerde dat in ten minste 19 vergelijkbare zaken hetzelfde postadres werd gebruikt, dat een bedrijventerrein betreft, en dat verzoekschriften en handtekeningen opvallend vaak identiek waren. Dit wekte de indruk dat iemand anders namens verzoeker handelde, zonder dat een gemachtigde was gesteld. Gezien deze feiten en het niet betalen van het griffierecht werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke beoordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en twijfel over de authenticiteit van het verzoek.