Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6699

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
25/22805
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-betaling griffierecht en onduidelijke verblijfplaats

Verzoeker diende op 15 oktober 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning, die op 18 november 2025 door de minister van Asiel en Migratie werd afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting omdat het kennelijk niet-ontvankelijk was wegens niet-betaling van het griffierecht van €194.

Verzoeker deed een beroep op betalingsonmacht, maar reageerde niet tijdig op verzoeken om dit te onderbouwen. Later bleek uit het ondernemingsplan dat verzoeker voldoende vermogen had om het griffierecht te voldoen. Pogingen van de griffie om het griffierecht te innen faalden doordat aangetekende brieven niet werden ontvangen, mede doordat het postadres onduidelijk was en verzoeker onbekend was in de basisregistratie personen.

De voorzieningenrechter constateerde opvallende gelijkenissen met ten minste 19 andere verzoeken van Turkse zelfstandigen, waaronder identieke handtekeningen, verzoekschriften en ondernemingsplannen. Dit leidde tot de conclusie dat het verzoek niet door verzoeker zelf was ondertekend en dat verzoeker mogelijk niet in Nederland verblijft.

Gezien het niet betalen van het griffierecht, het ontbreken van een gemachtigde en de onduidelijke verblijfplaats, verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk zonder inhoudelijke beoordeling. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en onduidelijke verblijfplaats van verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/22805

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], onbekende woon- of verblijfplaats, verzoeker,

v-nummer: [nummer]
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
1.2.
Verzoeker heeft op 15 oktober 2025 een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 18 november 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. [1] In een zaak als deze is het griffierecht € 194,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
Heeft verzoeker het griffierecht tijdig betaald?
2.1.
Bij brief van 21 november 2025 heeft verzoeker een beroep op betalingsonmacht gedaan. De rechtbank heeft bij brief van 28 november 2025 aan verzoeker verzocht om het beroep op betalingsonmacht verder toe te lichten aan de hand van het bijgevoegde formulier. Hierop heeft verzoeker niet gereageerd. De rechtbank heeft het beroep op betalingsonmacht op 12 december 2025 afgewezen. Verzoeker heeft met de brief van 16 december 2025 alsnog een ingevuld formulier ingediend. Met de brief van 6 januari 2026 heeft de rechtbank de afwijzing van het beroep op betalingsonmacht bevestigd, aangezien uit het ondernemingsplan van verzoeker blijkt dat hij over voldoende eigen vermogen beschikt om het griffierecht te voldoen.
2.2.
De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 12 december 2025 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de levering van de aangetekend verzonden brief meerdere keren is uitgesteld in verband met een geslotenverklaring. De nota heeft verzoeker dus niet bereikt. In de brief van 6 januari 2026 wordt verzoeker nogmaals in de gelegenheid gesteld om het griffierecht binnen twee weken na dagtekening van die brief te betalen. Vervolgens is met de brief van 23 januari 2026 aan verzoeker gevraagd waarom het griffierecht niet is betaald. Beide brieven zijn retour gekomen bij de rechtbank met de vermelding dat de geadresseerde onbekend is.
Bevindingen voorzieningenrechter
2.3.
De voorzieningenrechter heeft in een relatief kort tijdsbestek diverse verzoeken om voorlopige voorzieningen gekregen van vreemdelingen die een aanvraag om arbeid als zelfstandige hebben ingediend waarbij zij een beroep doen op het associatierecht EU-Turkije. Door de griffie werd gesignaleerd dat in deze verzoeken (aangetekende) post opvallend vaak retour werd gezonden aan de griffie als zijnde onbestelbaar. Nader onderzoek wees uit dat dit samenhing met feit dat in tenminste al 19 verzoeken hetzelfde postadres in [plaats] werd opgevoerd.
2.4.
Volgens google maps blijkt het opgegeven (post)adres een bedrijventerrein waar zich diverse bedrijven bevinden met hetzelfde postadres. De voorzieningenrechter heeft in de basisregistratie personen (brp) vervolgens gecontroleerd of verzoeker een ander adres heeft waar de nota naar toe kan worden gezonden. Verzoeker is echter onbekend in de brp. Op basis van de beschikbare gegevens en het feit dat in tenminste 19 andere zaken hetzelfde postadres wordt gevoerd is dus onduidelijk waar verzoeker daadwerkelijk verblijft, laat staan of dit in Nederland is. Voor een voorlopige voorziening als hier gevraagd is dat wel relevant.
2.5.
Verder is de voorzieningenrechter gebleken dat in 16 van de 19 zaken het verzoekschrift met dezelfde handtekening is ondertekend. Dat geldt ook voor dit verzoek. Deze handtekening is de voorzieningenrechter ook tegengekomen in drie andere vergelijkbare verzoeken met een ander postadres. Verder is van de 19 zaken met dit postadres 14 keer een (vrijwel) identiek verzoekschrift ingediend. Dat geldt ook voor dit verzoek. Dit verzoekschrift is de voorzieningenrechter ook tegengekomen in 2 andere verzoeken met een ander postadres. Tot slot is het de voorzieningenrechter opgevallen dat in 17 zaken, waarvan 1 ook met een ander postadres, hetzelfde ondernemingsplan is ingediend. Dat geldt ook voor dit verzoek.
2.6.
De voorzieningenrechter merkt op dat zich geen gemachtigde voor verzoeker heeft gesteld. Gelet op de opvallend grote mate van gelijkenis met andere verzoeken en het feit dat de handtekening niet van verzoeker zelf kan zijn, lijkt de veronderstelling gerechtvaardigd dat iemand anders op naam van verzoeker handelt. Er heeft zich echter geen gemachtigde gesteld en verzoekers verblijfplaats is onbekend zodat de voorzieningenrechter dit ook niet kan verifiëren.

Conclusie en gevolgen

3. Omdat het griffierecht niet is betaald en het verzoek in strijd met artikel 6:5, eerste lid, van de Awb niet door verzoeker zelf is ondertekend, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Gelet op de bevindingen van de voorzieningenrechter zoals hiervoor weergegeven, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het niet betalen van het griffierecht verontschuldigbaar te achten of verzoeker nog een herstelmogelijkheid te bieden voor wat betreft de ondertekening. Het verzoek is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N. Maas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit is geregeld in artikel 8:82 van Pro de Awb in samenhang met artikel 8:41 van Pro de Awb.