ECLI:NL:RBDHA:2026:6712
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-betaling griffierecht en onduidelijke verblijfplaats
Verzoeker diende op 10 oktober 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning, die op 18 november 2025 door de minister van Asiel en Migratie werd afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting omdat het kennelijk niet-ontvankelijk was wegens niet-betaling van het griffierecht.
Verzoeker deed een beroep op betalingsonmacht, maar reageerde niet op het verzoek van de rechtbank om dit nader toe te lichten. De griffierechtnota werd aangetekend verzonden, maar kon niet worden bezorgd omdat het opgegeven postadres onduidelijk was en meerdere keren als onbestelbaar retour kwam. Uit onderzoek bleek dat dit postadres een bedrijventerrein is waar meerdere verzoeken met dezelfde kenmerken werden ingediend.
De voorzieningenrechter constateerde opvallende gelijkenissen met ten minste 19 andere verzoeken, waaronder identieke handtekeningen, vrijwel identieke verzoekschriften en hetzelfde ondernemingsplan. Verzoeker is niet ingeschreven in de basisregistratie personen en er is geen gemachtigde opgetreden. Hierdoor is onduidelijk waar verzoeker verblijft en of hij zelf het verzoek heeft ingediend.
Gezien het niet betalen van het griffierecht en het ontbreken van een geldige ondertekening, verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Er werd geen inhoudelijke beoordeling gegeven en er is geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en onduidelijke verblijfplaats van verzoeker.