ECLI:NL:RBDHA:2026:6712

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
25/22937
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-betaling griffierecht en onduidelijke verblijfplaats

Verzoeker diende op 10 oktober 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning, die op 18 november 2025 door de minister van Asiel en Migratie werd afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting omdat het griffierecht niet was betaald.

Verzoeker deed een beroep op betalingsonmacht, maar reageerde niet op verzoeken om dit nader toe te lichten. De griffierechter stelde verzoeker in de gelegenheid het griffierecht alsnog te betalen, maar de aangetekende brief werd meerdere keren niet bezorgd en uiteindelijk retour gezonden met de melding dat de geadresseerde onbekend is. Uit onderzoek bleek dat verzoeker geen ingezetene is en dat het opgegeven postadres een bedrijventerrein is waar meerdere verzoeken met identieke kenmerken vandaan kwamen.

De voorzieningenrechter constateerde opvallende gelijkenissen met andere verzoeken, waaronder identieke handtekeningen, verzoekschriften en ondernemingsplannen. Er is geen gemachtigde opgetreden en de verblijfplaats van verzoeker is onbekend, waardoor niet kan worden vastgesteld of verzoeker zelf handelt. Gezien deze feiten en het niet betalen van het griffierecht werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke beoordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en onduidelijke verblijfplaats van verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/22937

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], onbekende woon- of verblijfplaats, verzoeker,
v-nummer: [nummer]
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
1.2.
Verzoeker heeft op 10 oktober 2025 een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 18 november 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. [1] In een zaak als deze is het griffierecht € 194,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
Heeft verzoeker het griffierecht tijdig betaald?
2.1.
Bij brief van 28 november 2025 heeft verzoeker een beroep op betalingsonmacht gedaan. De rechtbank heeft bij brief van 4 december 2025 aan verzoeker verzocht om het beroep op betalingsonmacht verder toe te lichten aan de hand van het bijgevoegde formulier. Hierop heeft verzoeker niet gereageerd. De rechtbank heeft het beroep op betalingsonmacht op 17 december 2025 afgewezen. Deze brief is retour gekomen bij de rechtbank met de vermelding dat de geadresseerde onbekend is.
2.2.
De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 18 december 2025 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de levering van de aangetekend verzonden brief meerdere keren is uitgesteld in verband met een geslotenverklaring, waarna de nota uiteindelijk is geretourneerd met de vermelding dat de geadresseerde onbekend is. De nota heeft verzoeker dus niet bereikt.
Bevindingen voorzieningenrechter
2.3.
De voorzieningenrechter heeft in een relatief kort tijdsbestek diverse verzoeken om voorlopige voorzieningen gekregen van vreemdelingen die een aanvraag om arbeid als zelfstandige hebben ingediend waarbij zij een beroep doen op het associatierecht EU-Turkije. Door de griffie werd gesignaleerd dat in deze verzoeken (aangetekende) post opvallend vaak retour werd gezonden aan de griffie als zijnde onbestelbaar. Nader onderzoek wees uit dat dit samenhing met feit dat in tenminste al 19 verzoeken hetzelfde postadres in [plaats] werd opgevoerd.
2.4.
Volgens google maps blijkt het opgegeven (post)adres een bedrijventerrein waar zich diverse bedrijven bevinden met hetzelfde postadres. De voorzieningenrechter heeft in de basisregistratie personen (brp) vervolgens gecontroleerd of verzoeker een ander adres heeft waar de nota naar toe kan worden gezonden. Verzoeker is volgens de brp echter geen ingezetene. Op basis van de beschikbare gegevens en het feit dat in tenminste 19 andere zaken hetzelfde postadres wordt gevoerd is dus onduidelijk waar verzoeker daadwerkelijk verblijft, laat staan of dit in Nederland is. Voor een voorlopige voorziening als hier gevraagd is dat wel relevant.
2.5.
Verder is de voorzieningenrechter gebleken dat in 16 van de 19 zaken het verzoekschrift met dezelfde handtekening is ondertekend. Dat geldt ook voor dit verzoek. Deze handtekening is de voorzieningenrechter ook tegengekomen in drie andere vergelijkbare verzoeken met een ander postadres. Verder is van de 19 zaken met dit postadres 14 keer een (vrijwel) identiek verzoekschrift ingediend. Dat geldt ook voor dit verzoek. Dit verzoekschrift is de voorzieningenrechter ook tegengekomen in 2 andere verzoeken met een ander postadres. Tot slot is het de voorzieningenrechter opgevallen dat in 17 zaken, waarvan 1 ook met een ander postadres, hetzelfde ondernemingsplan is ingediend. Dat geldt ook voor dit verzoek.
2.6.
De voorzieningenrechter merkt op dat zich geen gemachtigde voor verzoeker heeft gesteld. Gelet op de opvallend grote mate van gelijkenis met andere verzoeken en het feit dat de handtekening niet van verzoeker zelf kan zijn, lijkt de veronderstelling gerechtvaardigd dat iemand anders op naam van verzoeker handelt. Er heeft zich echter geen gemachtigde gesteld en verzoekers verblijfplaats is onbekend zodat de voorzieningenrechter dit ook niet kan verifiëren.

Conclusie en gevolgen

3. Omdat het griffierecht niet is betaald en het verzoek in strijd met artikel 6:5, eerste lid, van de Awb niet door verzoeker zelf is ondertekend, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Gelet op de bevindingen van de voorzieningenrechter zoals hiervoor weergegeven, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het niet betalen van het griffierecht verontschuldigbaar te achten of verzoeker nog een herstelmogelijkheid te bieden voor wat betreft de ondertekening. Het verzoek is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N. Maas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit is geregeld in artikel 8:82 van Pro de Awb in samenhang met artikel 8:41 van Pro de Awb.