ECLI:NL:RBDHA:2026:6718
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-betaling griffierecht en twijfel over identiteit verzoeker
Verzoeker diende op 16 oktober 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning, die op 18 november 2025 door de minister van Asiel en Migratie werd afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting omdat het kennelijk niet-ontvankelijk was.
Het griffierecht van €194,- was niet betaald. Verzoeker deed een beroep op betalingsonmacht, maar reageerde niet op verzoeken om dit nader toe te lichten, waarna dit beroep werd afgewezen. De griffier stuurde een aangetekende brief om alsnog betaling te verzoeken, maar deze werd niet ontvangen omdat het postadres onbestelbaar bleek.
De voorzieningenrechter constateerde dat in ten minste 19 vergelijkbare zaken hetzelfde postadres werd gebruikt, een bedrijventerrein met meerdere bedrijven, en dat verzoeker onbekend was in de basisregistratie personen. Ook bleek dat in 16 van deze zaken dezelfde handtekening werd gebruikt en dat identieke verzoekschriften en ondernemingsplannen werden ingediend. Er was geen gemachtigde en de verblijfplaats van verzoeker was onbekend.
Gezien het niet betalen van het griffierecht en de vermoedelijke handelwijze van een ander namens verzoeker, verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk en zag geen aanleiding tot inhoudelijke beoordeling of proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en twijfel over de authenticiteit van het verzoek.