ECLI:NL:RBDHA:2026:6725
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-betaling griffierecht en onduidelijke verblijfplaats
Verzoeker diende op 30 oktober 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning, die op 2 december 2025 door de minister werd afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting omdat het kennelijk niet-ontvankelijk was.
Het griffierecht van €194,- was niet betaald. Verzoeker deed een beroep op betalingsonmacht, maar reageerde niet op verzoeken om dit toe te lichten. Later ingediende formulieren werden afgewezen omdat uit het ondernemingsplan bleek dat verzoeker voldoende vermogen had om te betalen. Pogingen van de rechtbank om het griffierecht te innen faalden doordat post retour kwam met de melding dat verzoeker onbekend was.
De voorzieningenrechter constateerde opvallende gelijkenissen met ten minste 19 andere verzoeken van Turkse zelfstandigen, waaronder hetzelfde postadres op een bedrijventerrein, identieke handtekeningen en vrijwel identieke verzoekschriften en ondernemingsplannen. Verzoeker was niet ingeschreven in de basisregistratie personen, waardoor verblijfplaats onbekend is.
Gezien het niet betalen van het griffierecht, het ontbreken van een gemachtigde en de vermoedelijke handelwijze van een derde op naam van verzoeker, werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. De voorzieningenrechter zag geen aanleiding tot inhoudelijke beoordeling of proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en onduidelijke verblijfplaats van verzoeker.