ECLI:NL:RBDHA:2026:6734
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-betaling griffierecht en twijfel over identiteit verzoeker
Verzoeker diende op 14 oktober 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning, die op 18 november 2025 door de minister van Asiel en Migratie werd afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting omdat het griffierecht niet was betaald, hetgeen een vereiste is voor ontvankelijkheid.
Verzoeker deed een beroep op betalingsonmacht, maar reageerde niet op het verzoek van de rechtbank om dit nader toe te lichten. De rechtbank wees het beroep af omdat uit het ondernemingsplan bleek dat verzoeker voldoende eigen vermogen had om het griffierecht te voldoen. Pogingen van de rechtbank om de griffierechten te innen faalden doordat post niet werd ontvangen en retour kwam met de melding dat de geadresseerde onbekend was.
De voorzieningenrechter constateerde opvallende gelijkenissen met andere verzoeken van Turkse zelfstandigen, waaronder identieke handtekeningen, vrijwel identieke verzoekschriften en hetzelfde ondernemingsplan, vaak met hetzelfde postadres op een bedrijventerrein. Verzoeker is onbekend in de basisregistratie personen, waardoor verblijfplaats en identiteit onduidelijk zijn. Gezien deze feiten en het niet betalen van het griffierecht, verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk zonder inhoudelijke beoordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en twijfel over de authenticiteit van het verzoek.