ECLI:NL:RBDHA:2026:6743
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardig relaas en onvoldoende bewijs
Eiser, een Gambiaanse nationaliteit dragende Mandinka, verzocht om een verblijfsvergunning asiel. Hij stelde dat hij bedreigd werd door familie vanwege zijn niet-moslim zijn en een incident waarbij zijn neefje verdronk, waarna hij werd aangevallen en vluchtte naar Spanje. De minister wees de aanvraag af wegens onvoldoende geloofwaardigheid en gebrek aan bewijs, met name over zijn identiteit en de omstandigheden van het steekincident.
De rechtbank behandelde het beroep waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de aanvraag als kennelijk ongegrond had afgewezen. De verklaringen van eiser waren tegenstrijdig en niet samenhangend, met name over zijn paspoort, personalia en de tijdlijn van de problemen met zijn familie. De vrees voor arrestatie door de immigratiedienst en Navy werd niet aannemelijk gemaakt.
De rechtbank concludeerde dat de geloofwaardige asielmotieven onvoldoende waren om vluchtelingenstatus toe te kennen. Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter N.M. van Waterschoot en griffier M.A. Buikema op 26 maart 2026.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag.