ECLI:NL:RBDHA:2026:6743

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
NL26.12
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 31 lid 6 sub b Vw 2000Art. 31 lid 6 sub c Vw 2000Art. 31 lid 6 sub e Vw 2000Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardig relaas en onvoldoende bewijs

Eiser, een Gambiaanse nationaliteit dragende Mandinka, verzocht om een verblijfsvergunning asiel. Hij stelde dat hij bedreigd werd door familie vanwege zijn niet-moslim zijn en een incident waarbij zijn neefje verdronk, waarna hij werd aangevallen en vluchtte naar Spanje. De minister wees de aanvraag af wegens onvoldoende geloofwaardigheid en gebrek aan bewijs, met name over zijn identiteit en de omstandigheden van het steekincident.

De rechtbank behandelde het beroep waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de aanvraag als kennelijk ongegrond had afgewezen. De verklaringen van eiser waren tegenstrijdig en niet samenhangend, met name over zijn paspoort, personalia en de tijdlijn van de problemen met zijn familie. De vrees voor arrestatie door de immigratiedienst en Navy werd niet aannemelijk gemaakt.

De rechtbank concludeerde dat de geloofwaardige asielmotieven onvoldoende waren om vluchtelingenstatus toe te kennen. Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter N.M. van Waterschoot en griffier M.A. Buikema op 26 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.12

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. D.A.M Frieser ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 31 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn zonder kennisgeving niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij de Gambiaanse nationaliteit heeft en tot de Mandinka bevolkingsgroep behoort. Hij heeft verklaard dat de familie van zijn vader en zijn moeder hem beledigden omdat eiser geen moslim is. Eiser mocht niet omgaan met zijn neefje en toch ging eiser met hem vissen. Dat neefje is verdronken tijdens het vissen. Eiser kreeg hiervan de schuld van de familie van vaders kant. Twee of drie dagen na de dood van het neefje kwamen zijn broers bij eisers huis. Ze begonnen eiser te steken met een mes. Eiser raakte gewond en is gevlucht naar Banjul. Een oom van eiser heeft hem opgehaald en heeft ervoor gezorgd dat eiser naar Spanje kon reizen. Bij terugkeer vreest eiser dat de familie van de vader van eiser hem zal vermoorden en dat eiser zal worden opgepakt door de immigratiedienst of de mensen van de Navy.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: 1. De identiteit, nationaliteit en herkomst, 2. De problemen met de familie van vaders kant en 3. De ondervonden discriminatie vanwege de religie van eiser.
4.1.
De minister stelt zich in het voornemen, wat deel uitmaakt van het bestreden besluit, op het standpunt dat de nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn, maar de identiteit van eiser niet. Eiser heeft onvoldoende documenten gegeven en heeft daarvoor geen goede verklaring. Eiser voldoet niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw [2] . Eiser heeft verklaard dat hij in het bezit is van een paspoort. Dat eiser geen poging heeft gedaan om zijn paspoort te verkrijgen wordt hem door de minister tegengeworpen. Ook vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel, als bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. Zo heeft eiser tegenstrijdig verklaard ten aanzien van zijn paspoort en heeft eiser wisselend verklaard ten aanzien van zijn personalia. Ook kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd als bedoeld in van artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw, omdat hij in Spanje een alias heeft opgegeven.
4.2.
Ten aanzien van het tweede element heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de problemen met de familie van vaders kant niet geloofwaardig zijn. De verklaringen van eiser hierover vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel, omdat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de tijdlijn van de problemen. Ook heeft eiser tegenstrijdig en ongerijmd verklaard over zijn relatie met de familie van zijn vader en over het steekincident.
4.3.
De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de ondervonden discriminatie vanwege de religie van eiser geloofwaardig is, maar dat dit onvoldoende is om vluchtelingschap aan te merken. De discriminatie die eiser heeft meegemaakt heeft niet een dusdanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden opgeleverd dat het voor eiser onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Eiser heeft verder verklaard dat hij bij terugkeer naar Gambia vreest gearresteerd te worden door de immigratiedienst en de Navy, maar eiser heeft deze vrees niet aannemelijk gemaakt. De geloofwaardig geachte asielmotieven zijn niet te herleiden tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag.
4.4.
In het bestreden besluit gaat de minister in op dat wat eiser in de zienswijze naar voren heeft gebracht. De minister heeft de asielaanvraag van eiser kennelijk ongegrond verklaard, hij krijgt geen verblijfsvergunning regulier en geen uitstel van vertrek om medische redenen. Eiser krijgt een terugkeerbesluit en een inreisverbod van 2 jaar.
Wat voert eiser aan
5. Eiser stelt dat de minister de gestelde problemen heeft onderschat: “De problemen zijn terug te voeren naar de etniciteit van moeder van eiser en hebben op grond van het feit dat deze gerelateerd zijn aan discriminatoire aspecten aanknopingspunten om toegelaten te worden op een asielgrond.” Volgens eiser neemt de minister dit ten onrechte niet aan en is de minister ten onrechte van mening dat de geloofwaardigheid hier in het geding is.
Wat oordeelt de rechtbank
6. De rechtbank is van oordeel dat de stellingen van eiser geen doel treffen. De enkele stellingen van eiser dat de minister de gestelde problemen onderschat, dat de problemen zijn terug te voeren naar de etniciteit van moeder en dat de minister ten onrechte de geloofwaardigheid in geding brengt, zonder daarbij in te gaan op dat wat de minister aan eiser heeft tegengeworpen, bieden de rechtbank geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld zoals weergeven onder 4. Deze niet nader onderbouwde beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier, en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Vreemdelingenwet 2000.