ECLI:NL:RBDHA:2026:678

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
NL25.55178 en NL25.55179
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van Turkse eiser met beroep tegen terugkeerbesluit

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 9 januari 2026, wordt het beroep van een Turkse eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag behandeld. Eiser, die op 8 september 2025 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel indiende, kreeg op 10 november 2025 te horen dat zijn aanvraag als kennelijk ongegrond was afgewezen. De rechtbank beoordeelt zowel het beroep als het verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft eerder asiel aangevraagd, maar zijn aanvraag werd ingetrokken. Hij stelt dat hij in Turkije bedreigd wordt door criminelen en dat hij onterecht in de gevangenis heeft gezeten. Verweerder, de minister van Asiel en Migratie, betwist de geloofwaardigheid van eisers verklaringen en stelt dat hij onvoldoende bewijs heeft geleverd om zijn vrees voor vervolging te onderbouwen. De rechtbank concludeert dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij onveilig is in Turkije en dat verweerder terecht de asielaanvraag heeft afgewezen. De rechtbank wijst het beroep ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.55178 en NL25.55179
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. E.W.B. van Twist),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. T.J.M. Schilder).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Eiser heeft op 8 september 2025 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 10 november 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 23 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben voorafgaand aan de zitting laten weten hierbij niet aanwezig te zullen zijn.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1989 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser heeft op 30 december 2024 voor het eerst asiel aangevraagd. Tijdens zijn nader gehoor op 4 juli 2025 heeft eiser aangegeven zijn asielaanvraag in te trekken. Op 21 juli 2025 heeft verweerder een terugkeerbesluit genomen en een inreisverbod aan eiser opgelegd. Dit terugkeerbesluit en inreisverbod zijn op 15 september 2025 opgeheven omdat de ingediende zienswijze niet was meegewogen. Aan zijn huidige asielaanvraag legt eiser het volgende ten grondslag. In 2017 is hij betrokken geweest bij een incident in een café waarbij meerdere personen vermoord zijn. Eiser heeft ten onrechte in de gevangenis gezeten omdat hij als dader werd gezien, maar is in hoger beroep vrijgesproken. Na zijn vrijlating werd eiser bedreigd door de echte daders. Ook is eiser actief geweest voor de [partij] in Turkije en in Griekenland.
Het bestreden besluit
3. Verweerder vindt het niet geloofwaardig dat eiser onveilig is in Turkije. Eiser heeft volgens verweerder geen oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven en heeft onvoldoende documenten overgelegd zonder hiervoor een goede verklaring te hebben. Eiser zou in het bezit zijn van documenten van de politie en de rechtbank inzake beschuldigingen van deelname aan protesten en verschillende propaganda-activiteiten, maar heeft geen inspanning geleverd om deze documenten over te leggen. Ook wordt het in eisers nadeel betrokken dat hij tijdens zijn gehoor opvolgende aanvraag is weggelopen. Verder vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft in zijn eerdere gehoor aangegeven dat de Turkse inlichtingendiensten naar hem op zoek waren, maar in zijn huidige aanvraag zegt eiser dat hij vreest voor criminelen. Dat eiser eerder een ander asielmotief heeft genoemd en zijn huidige asielmotief niet eerder heeft benoemd, doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. Ook zijn eisers verklaringen over zijn activiteiten voor de [partij] inconsistent. Daarnaast kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. Tijdens het gehoor opvolgende aanvraag heeft eiser aangegeven dat hij tijdens zijn eerdere nader gehoor heeft gelogen tegen de hoormedewerker. Tijdens het eerdere nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij met een vriendin in het café was bij het incident in 2017, terwijl hij tijdens het gehoor opvolgende aanvraag heeft verklaard dat hij met vier vrienden was. Door het weglopen tijdens het gehoor in combinatie met het bewust niet de waarheid spreken bij zijn eerdere gehoor, geeft eiser volgens verweerder het signaal af dat hij niet serieus is over zijn asielaanvraag. Omdat verweerder niet geloofwaardig vindt dat eiser onveilig is in Turkije, heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser verklaringen heeft afgelegd die kennelijk inconsequent en tegenstrijdig zijn en omdat het gaat om een opvolgende aanvraag die niet niet-ontvankelijk is verklaard. [1] Verweerder heeft eiser een terugkeerbesluit opgelegd waarbij hij heeft bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten omdat hij een gevaar voor de openbare orde vormt. Eiser wordt namelijk momenteel verdacht van het bezit van en de handel in vuurwapens, en het handelen in en/of smokkelen van wiet. Tot slot heeft verweerder aan eiser een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser stelt dat zijn documenten om zijn asielrelaas te ondersteunen momenteel bij de rechtbank in Turkije liggen. De documenten kunnen slechts worden opgevraagd indien eiser daarvoor iemand heeft gemachtigd en omdat eiser momenteel in Nederland in detentie zit, lukt hem dit niet. Er is aan eiser ook nooit uitgelegd dat zijn stukken die in Turkije liggen, verplicht zijn voor zijn Nederlandse asielprocedure. Bij de zienswijze heeft eiser wel een document overgelegd waaruit blijkt dat de moordzaak in 2017 waar eiser over heeft verklaard daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De problemen die eiser nu ervaart met de criminele bende vloeien voort uit dit incident. Daarnaast heeft eiser niet tegenstrijdig verklaard over welke partij naar hem op zoek was, want dit waren twee verschillende groepen: de Turkse autoriteiten vanwege zijn betrokkenheid bij de [partij] én de criminele bende. Eiser heeft ook consistent verklaard dat hij zowel in Griekenland als in Turkije activiteiten voor de [partij] verrichtte. Ook heeft eiser niet inconsistent verklaard over zijn gezelschap in het café bij het incident in 2017. Hij was in het café samen met meerdere vrienden en ook met een dame. Eiser kan geen gevolg geven aan het terugkeerbesluit, omdat terugkeren naar Turkije uiterst gevaarlijk is voor eiser nu hij daar een reëel risico loopt op ernstige schade. Tot slot is eiser van mening dat er geen reden is om een inreisverbod aan hem op te leggen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij onveilig is in Turkije. Verweerder heeft tegen kunnen werpen dat eiser geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te onderbouwen en dat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd zonder hiervoor een goede verklaring te geven. Tot op heden heeft eiser de documenten inzake beschuldigingen van deelname aan protesten en verschillende propaganda-activiteiten niet overgelegd. Dat het voor eiser niet mogelijk zou zijn om deze documenten op te vragen, volgt de rechtbank niet. Eiser stelt dat het vanuit detentie niet mogelijk is om iemand te machtigen om deze documenten op te vragen, maar de rechtbank ziet niet in waarom dit niet mogelijk zou zijn. Ook is het eiser tijdens zijn gehoren meerdere malen duidelijk gemaakt dat het belangrijk is om documenten over te leggen. [2] Over de documenten die eiser heeft overgelegd bij de zienswijze met betrekking tot de rechtszaak in 2017, heeft verweerder terecht overwogen dat deze geen betrekking hebben op zijn problemen met de criminele bende. Nog los van het feit dat de documenten niet vertaald zijn uit het Turks, onderbouwen documenten van de rechtszaak uit 2017 niet dat eiser na afronding van de rechtszaak bedreigd is door leden van de criminele bende. Verder blijkt uit de houding van eiser ook niet van een oprechte inspanning om zijn aanvraag te onderbouwen, nu hij is weggelopen tijdens het gehoor terwijl de hoormedewerker nog niet klaar was met vragen stellen.
Ook heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eiser inconsistente verklaringen heeft afgelegd en in grote lijnen niet geloofwaardig is. In zijn eerste aanvraag heeft eiser verklaard dat hij vanuit Griekenland is doorgereisd naar Nederland omdat de Turkse inlichtingendiensten naar hem op zoek waren, en in zijn huidige aanvraag verklaart eiser dat hij daar gezocht werd door een criminele bende. Verweerder heeft kunnen overwegen dat het feit dat eiser de tweede reden niet eerder heeft genoemd, afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. Eiser heeft in het gehoor opvolgende aanvraag wel aangegeven dat hij in het eerdere gehoor niet de waarheid heeft gesproken, maar heeft niet uitgelegd welke verklaringen onwaar waren en waarom hij daar toen over heeft gelogen. Ook heeft eiser zowel onduidelijk verklaard over waar en wanneer hij activiteiten heeft uitgevoerd voor de [partij], als tegenstrijdig verklaard over het incident in het café. Zo heeft eiser in het eerdere nader gehoor verklaard dat hij zes maanden in het ziekenhuis heeft gelegen en vervolgens ruim een jaar heeft vastgezeten, terwijl hij in het gehoor opvolgende aanvraag heeft verklaard dat hij tien dagen in het ziekenhuis heeft verbleven en vervolgens drie jaar heeft vastgezeten. Op het moment dat de hoormedewerker hem over geconstateerde tegenstrijdigheden wilde bevragen, heeft hij geweigerd verder te worden gehoord en is hij weggelopen.
6. Nu verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij onveilig is in Turkije, is er geen reden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Turkije een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft daarom een terugkeerbesluit naar Turkije mogen opleggen. Eiser heeft niet aangevoerd dat verweerder ten onrechte de vertrektermijn heeft onthouden. Wanneer de vertrektermijn onthouden wordt, is verweerder op grond van artikel 66a, eerste lid, onder b van de Vw gehouden om een inreisverbod op te leggen. Verweerder kan om humanitaire of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod, maar eiser heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan verweerder hiervan af had moeten zien.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond.
8. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 30b, eerste lid, onder e en onder g van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw).
2.Zie pagina 5 van het verslag van het nader gehoor van 4 juli 2025 en pagina 13 van het verslag van het gehoor opvolgende aanvraag.