ECLI:NL:RBDHA:2026:681

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
09.042289.25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkrachting en aanranding van een minderjarige, bezit van kinderporno en harddrugs

Op 16 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere ernstige misdrijven. De verdachte, geboren in 1971, werd beschuldigd van verkrachting en aanranding van een twaalfjarig slachtoffer, het verwerven en in bezit hebben van kinderporno, en het aanwezig hebben van harddrugs. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte in de periode van 16 januari 2025 tot en met 7 februari 2025 seksuele handelingen heeft verricht met het slachtoffer, die jonger was dan 16 jaar. Daarnaast heeft de verdachte in de periode van 8 april 2007 tot en met 27 januari 2025 kinderpornografisch materiaal in zijn bezit gehad. De rechtbank heeft het verweer van de verdachte, dat hij niet wist dat het slachtoffer minderjarig was, verworpen. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, en er zijn bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder een meldplicht en een contactverbod met minderjarigen. Tevens is de verdachte veroordeeld tot schadevergoeding aan het slachtoffer, die bestaat uit materiële en immateriële schade. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, waarbij de totale schadevergoeding is vastgesteld op € 5145,93, te vermeerderen met wettelijke rente.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/042289-25
Datum uitspraak: 16 januari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1971 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 19 december 2025 (inhoudelijke behandeling) en 16 januari 2026 (sluiting onderzoek).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. D. Kortekaas en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J.S. de Gram naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
Aan de verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij:
feit 1: met [slachtoffer] , die ouder was dan 12 jaar maar jonger dan 16 jaar, seksuele handelingen heeft verricht die onder andere bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam in de periode van 16 januari 2025 tot en met 7 februari 2025;
feit 2: met [slachtoffer] , die ouder was dan 12 jaar maar jonger dan 16 jaar, seksuele handelingen heeft verricht door hem – onder andere – te zoenen, betasten en af te trekken in de periode van 9 januari 2025 tot en met 7 februari 2025;
feit 3: kinderpornografische foto’s en/of video’s heeft gemaakt, ontvangen en/of in zijn bezit heeft gehad in de periode van 8 april 2007 tot en met 27 januari 2025;
feit 4: ongeveer 127,8 gram amfetamine en/of MDMA opzettelijk aanwezig heeft gehad op 7 februari 2025.

3.De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot niet-ontvankelijkheid van het onder 3 tenlastegelegde ten aanzien van de periode voorafgaand aan 27 januari 2013 wegens verjaring van de feiten tot aan deze datum.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging van het onder 3 tenlastegelegde voor wat betreft de periode tot 27 januari 2013.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Het tenlastegelegde is tot 1 juli 2024 strafbaar gesteld in artikel 240b, eerste lid, (oud) van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het wettelijk strafmaximum is volgens deze bepaling vier jaar gevangenisstraf.
Met ingang van 1 juli 2024 is artikel 70 Sr gewijzigd, waarbij is bepaald dat het recht tot strafvervolging voor het bezit van kinderporno als bedoeld in artikel 252 (nieuw) Sr niet vervalt door verjaring. In geval van verandering van wetgeving geldt dat een op dat moment reeds voltooide verjaring geëerbiedigd dient te worden (Hoge Raad 29 januari 2010, ECLI:NL:BK1998, NJ 2010/231). Dat betekent dat het recht tot strafvordering is vervallen als vóór 1 juli 2024 al sprake was van verjaring van tenlastegelegde handelingen. Dit moet worden vastgesteld aan de hand van artikel 70 Sr zoals dat gold vanaf 1 januari 2006 tot 1 februari 2008 en zoals dat gold na de daaropvolgende wetswijzigingen op 1 februari 2008 en 1 april 2013. Uit artikel 70 Sr, zoals dat luidde tot 1 juli 2024, volgt dat het recht tot strafvervolging vervalt voor feiten als bedoeld in artikel 240b, eerste lid, (oud) Sr, twaalf jaar nadat het feit was gepleegd. Dit leidt tot de conclusie dat de tenlastegelegde handelingen die zijn gepleegd vóór 1 juli 2012 (namelijk 1 juli 2024 minus 12 jaar) zijn verjaard.
De rechtbank stelt, gelet op het vorenstaande, vast dat het onder 3 tenlastegelegde wat betreft de periode van 8 april 2007 tot 1 juli 2012 is verjaard en dat de officier van justitie met betrekking tot die periode om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging.

4.De bewijsbeslissing

4.1.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor de feiten (wat betreft feit 3 voor zover de officier van justitie ontvankelijk is in de strafvervolging) met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025041721, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 323). De bewijsmiddelen – en ook de onderdelen daarvan – worden telkens slechts gebruikt voor het bewijs van het feit waarop zij volgens de inhoud ervan betrekking hebben.
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
Ten aanzien van alle feiten:
- De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 19 december 2025.
Ten aanzien van feiten 1 en 2:
- Het proces-verbaal van bevindingen studioverhoor [slachtoffer] , opgemaakt op 18 februari 2025, voor zover inhoudende (p. 174-176);
- Het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt op 14 februari 2025, voor zover inhoudende (p. 159-168).
Ten aanzien van feit 3:
- Het proces-verbaal van beschrijving kinderpornografisch materiaal, opgemaakt op 7 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 247, 250, 253).
Ten aanzien van feit 4:
- Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, opgemaakt op 12 februari 2025, voor zover inhoudende (p. 112, bijlage p. 121);
- Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 27 februari 2025, voor zover inhoudende (p. 275-287);
- Een geschrift, te weten het rapport NFiDENT, zaaknummer 2025.02.26.099 (aanvraag 001), opgemaakt op 26 februari 2025, voor zover inhoudende (p. 288);
- Een geschrift, te weten het rapport NFiDENT, zaaknummer 2025.02.26.099 (aanvraag 002), opgemaakt op 26 februari 2025, voor zover inhoudende (p. 289);
- Een geschrift, te weten het rapport NFiDENT, zaaknummer 2025.02.26.099 (aanvraag 003), opgemaakt op 26 februari 2025, voor zover inhoudende (p. 290);
- Een geschrift, te weten het rapport NFiDENT, zaaknummer 2025.02.26.099 (aanvraag 004), opgemaakt op 26 februari 2025, voor zover inhoudende (p. 291);
- Een geschrift, te weten het rapport NFiDENT, zaaknummer 2025.02.26.099 (aanvraag 005), opgemaakt op 26 februari 2025, voor zover inhoudende (p. 292);
- Een geschrift, te weten het rapport NFiDENT, zaaknummer 2025.02.26.099 (aanvraag 006), opgemaakt op 26 februari 2025, voor zover inhoudende (p. 293);
- Een geschrift, te weten het rapport NFiDENT, zaaknummer 2025.02.26.099 (aanvraag 007), opgemaakt op 26 februari 2025, voor zover inhoudende (p. 294);
- Een geschrift, te weten het rapport NFiDENT, zaaknummer 2025.02.26.099 (aanvraag 008), opgemaakt op 26 februari 2025, voor zover inhoudende (p. 295);
- Een geschrift, te weten het rapport NFiDENT, zaaknummer 2025.02.26.099 (aanvraag 009), opgemaakt op 26 februari 2025, voor zover inhoudende (p. 296);
- Een geschrift, te weten het rapport NFiDENT, zaaknummer 2025.02.26.099 (aanvraag 010), opgemaakt op 26 februari 2025, voor zover inhoudende (p. 297);
- Een geschrift, te weten het rapport NFiDENT, zaaknummer 2025.02.26.099 (aanvraag 011), opgemaakt op 26 februari 2025, voor zover inhoudende (p. 298);
- Een geschrift, te weten het rapport NFiDENT, zaaknummer 2025.02.26.099 (aanvraag 012), opgemaakt op 26 februari 2025, voor zover inhoudende (p. 299);
- Een geschrift, te weten rapport NFiDENT, zaaknummer 2025.02.26.099 (aanvraag 013), opgemaakt op 27 februari 2025, voor zover inhoudende (p. 300).
4.2.
Bewijsoverweging feit 3
Gelet op de partiële niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging van de verdachte voor dit feit, vangt de te bewijzen periode aan op 1 juli 2012 in plaats van 8 april 2007.
Uit de inhoud van het dossier volgt dat op gegevensdragers van de verdachte 68 kinderpornografische visuele weergaven zijn aangetroffen. Op 19 van de visuele weergaven is [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) te zien. Van die betreffende afbeeldingen is vastgesteld wat de ‘created date’ is, de datum waarop de bestanden zijn aangemaakt. De eerste created date van de afbeeldingen met [slachtoffer] is 11 januari 2025. De rechtbank acht dan ook op grond van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 11 januari 2025 tot en met 27 januari 2025 in bezit is geweest van kinderpornografische afbeeldingen waarop [slachtoffer] te zien is.
Ten aanzien van de overige 49 visuele weergaven heeft de verdachte aangevoerd dat hij deze reeds na het overlijden van een familielid in 2010 of 2011 heeft verwijderd van zijn gegevensdragers. De weergaven hebben wel op de gegevensdragers gestaan, omdat de politie deze in de verwijderde items heeft aangetroffen. Uit het dossier volgt dat de aangetroffen 49 visuele weergaven zodanig verwijderd waren dat er geen data meer beschikbaar zijn die kunnen uitwijzen wanneer deze oorspronkelijk op de gegevensdragers hebben gestaan. Ook is er per individuele visuele weergave geen afzonderlijke created date vastgesteld, anders dan dat de created date van deze visuele weergaven ligt tussen 8 april 2007 en 27 januari 2025.
Nu uit het dossier niet kan worden afgeleid wanneer de overige 49 visuele weergaven van de gegevensdragers zijn verwijderd en het moment waarop individuele weergaven zijn gemaakt onbekend is gebleven, kan niet worden vastgesteld dat de verdachte deze visuele weergaven bewust en dus opzettelijk in zijn bezit heeft gehad in de periode vanaf 1 juli 2012. De verdachte zal daarom in zoverre worden vrijgesproken van dit feit voor zover de officier van justitie in de vervolging daarvoor ontvankelijk is.
4.3.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij in de periode van 16 januari 2025 tot en met 7 februari 2025 in Nederland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2012) telkens seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten door:
- zijn, verdachtes, ontblote penis in de mond van die [slachtoffer] te stoppen, en
- zich door die [slachtoffer] te laten pijpen;
2
hij op tijdstippen in
de periode van9 januari 2025 tot en met 7 februari 2025 te Wassenaar en Katwijk en Heemskerk, althans in Nederland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2012), (telkens) seksuele handelingen heeft verricht, te weten door:
- die [slachtoffer] op de mond te zoenen, en
- die [slachtoffer] onder zijn kleding en zijn ontblote lijf te betasten, en
- die [slachtoffer] zijn ontblote penis en zijn anus te betasten, en
- die [slachtoffer] zijn ontblote penis vast te houden en hem af te trekken, en
- zijn, verdachtes, ontblote penis aan die [slachtoffer] te tonen en te betasten, en
- zich af te trekken ten overstaan van die [slachtoffer] ;
3
hij in de periode van 11 januari 2025 tot en met 27 januari 2025 te Heemskerk, althans in Nederland, een of meer visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer] (geboren [geboortedatum 2] 2012) was betrokken heeft verworven en in bezit heeft gehad te weten
- afbeeldingen
- gegevensdragers, bevattende afbeeldingen, te weten een Apple Iphone 15 pro plus
en/of een Ipad waarop (telkens) te zien is dat:
[slachtoffer] poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en in een erotisch getinte houding op een wijze die niet bij zijn leeftijd past
en
door het camerastandpunt en de (onnatuurlijke) pose en de wijze van kleden van die [slachtoffer] nadrukkelijk het geslachtsdeel van die [slachtoffer] in beeld worden gebracht (proces-verbaal pagina 253);
4
hij op 7 februari 2025 te Heemskerk opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 127,8 gram van een materiaal bevattende amfetamine en MDMA, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

5.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6.De strafbaarheid van de verdachte

6.1.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld in de vorm van verschoonbare dwaling over de leeftijd van [slachtoffer] . Daartoe is aangevoerd dat [slachtoffer] zich actief, consequent en geloofwaardig voordeed als zestien-, à bijna zeventienjarige, dit beeld bevestigde in woord en gedrag en daarbij geen enkele concrete en objectieve aanleiding gaf tot twijfel, zodat redelijkerwijs niet van hem mocht worden verlangd dat hij nader onderzoek deed.
6.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de verdediging dient te worden verworpen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat de artikelen 247 en 248 Sr strekken tot bescherming van jeugdigen tussen de twaalf en zestien jaar tegen het ondergaan van (ernstige) seksuele handelingen. Om die reden is de leeftijd in deze wetsartikelen een zogenoemd geobjectiveerd bestanddeel. Dat houdt in dat deze strafbare feiten bewezen kunnen worden verklaard, ook indien de verdachte niet weet dat het slachtoffer minderjarig is. Door de leeftijd te objectiveren is de bescherming van minderjarigen het meest doeltreffend, omdat minderjarigen op die manier ook worden beschermd tegen verleidingen die van henzelf uit kunnen gaan. Het voorgaande brengt met zich dat de verdachte een vergaande onderzoeksplicht heeft om achter de werkelijke leeftijd van de betreffende minderjarige te komen.
Volgens vaste jurisprudentie wordt een beroep op dwaling omtrent de leeftijd slechts in uitzonderlijke gevallen gehonoreerd. Van verschoonbare dwaling – en derhalve op afwezigheid van alle schuld – kan sprake zijn wanneer de verdachte op misleidende informatie van het slachtoffer over zijn leeftijd mocht vertrouwen. Van een dergelijke situatie is naar het oordeel van de rechtbank hier geen sprake.
De stelling dat de verdachte geen reden had om te twijfelen aan de door [slachtoffer] opgegeven leeftijd – onder andere vanwege enkele lichamelijke kenmerken van de jongen en uitlatingen die hij deed over seks en een reactie op een opmerking over het halen van het rijbewijs – treft geen doel, aangezien uit de verklaring van de verdachte bij de politie blijkt dat hij daarover wel degelijk heeft getwijfeld toen hij [slachtoffer] voor het eerst ontmoette (“
Ik dacht wel van ben jij 16 jaar”). Die twijfel was niet zonder grond want ook de getuige die de verdachte en [slachtoffer] in een auto had zien zitten zoenen en een ter plaatse gekomen politieambtenaar schatten de jongen veertien jaar oud te zijn. Die twijfel had de verdachte ertoe moeten brengen terdege onderzoek te doen naar de werkelijke leeftijd van [slachtoffer] en niet af te gaan op diens uitlatingen en uiterlijke kenmerken. Gelet op het voorgaande is geen sprake van afwezigheid van alle schuld. Het verweer wordt verworpen.
Er is voor het overige ook geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is strafbaar.

7.De strafoplegging

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan acht voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De officier van justitie heeft voorts gevorderd om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om in het geval van strafoplegging ten hoogste een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen. Daartoe is aangevoerd dat sprake is van verschillende strafmatigende omstandigheden, waaronder de detentieomstandigheden van de verdachte.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte – toen 53 jaar oud – heeft zich gedurende een periode van enkele weken schuldig gemaakt aan verkrachting en aanranding van een destijds twaalfjarige jongen. De verdachte heeft vier keer afgesproken met het slachtoffer, waarbij telkens seksuele handelingen werden verricht. De verdachte heeft daarbij geen condoom gebruikt, waardoor het slachtoffer risico liep op besmetting met ziektes. Met zijn handelen heeft de verdachte een buitengewoon ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Het slachtoffer bevond zich nog aan het begin van zijn seksuele ontwikkeling, die door het handelen van de verdachte ernstig kan worden verstoord.
De verdachte heeft bij het plegen van de feiten telkens zijn eigen seksuele behoeften voorop gesteld en heeft geen belang gehecht aan de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer. Dat de gevolgen groot zijn geweest, blijkt uit de slachtofferverklaring van de ouders van het slachtoffer. Zijn ouders zien dat het slachtoffer zijn gevoelens wegstopt, zij maken zich er grote zorgen over dat deze gebeurtenis veel impact zal hebben op zijn zelfbeeld, toekomstige relaties en zijn vertrouwen in anderen.
De verdachte heeft weinig blijk van enig verantwoordelijkheidsgevoel of zelfinzicht gegeven. Enerzijds heeft de verdachte ter terechtzitting spijt betuigd, anderzijds heeft hij verklaard dat hij door het slachtoffer is verleid, waarmee hij zijn verantwoordelijkheid heeft gerelativeerd.
Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van kinderporno. Ten slotte heeft de verdachte ruim 127 gram harddrugs voorhanden gehad.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 16 mei 2025, waaruit volgt dat de verdachte recentelijk niet is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Pro Justitia weigerrapport psychologisch onderzoek van 3 juli 2025, opgesteld door drs. [naam] . Uit dat rapport volgt dat geen psychologisch onderzoek kon worden verricht omdat de verdachte heeft geweigerd zijn medewerking daaraan te verlenen. Door de psycholoog wordt evenwel melding gemaakt van de aannemelijkheid van het bestaan van pedofiele gevoelens op basis van het tenlastegelegde en aanwijzingen in het dossier. Vanwege de opstelling van de verdachte konden door de psycholoog geen conclusies worden getrokken over de mate van toerekenbaarheid of het risico op herhaling.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 30 november 2025. De reclassering heeft geen antwoord kunnen geven op de vraag of en in hoeverre het psychosociaal functioneren van de verdachte van invloed is geweest op de strafbare feiten, omdat de verdachte niet heeft willen meewerken aan het Pro Justitia onderzoek. Tegenover de reclassering heeft de verdachte te kennen gegeven zich niet seksueel aangetrokken te voelen tot minderjarigen, maar de reclassering merkt op dat uit het dossier aanwijzingen naar voren komen die duiden op een andersluidende conclusie. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte aan hem op te leggen een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden:
  • meldplicht;
  • ambulante behandeling;
  • contactverbod met het slachtoffer;
  • vermijden van contact met minderjarigen.
De reclassering adviseert de bovengenoemde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. In een eerder advies van 19 mei 2025 over eventuele schorsing van de voorlopige hechtenis, heeft de reclassering naast de bovengenoemde voorwaarden ook als voorwaarde het vermijden van kinderporno genoemd.
De rechtbank acht het zorgelijk dat de verdachte zich niet heeft laten onderzoeken door de psycholoog en nauwelijks inzicht heeft gegeven in zijn psychosociaal functioneren. Dit terwijl in het dossier, los van de bewezen verklaarde feiten, andere aanwijzingen aanwezig zijn, onder andere daterende uit de jaren 2006, 2007, 2009 en 2013, die erop duiden dat de verdachte zich seksueel aangetrokken lijkt te voelen tot minderjarigen. Het psychologisch onderzoek was juist voor de verdachte een kans geweest om te laten zien wat er in hem omgaat en had de mogelijkheid kunnen vergroten direct passende hulp en behandeling te krijgen.
De detentieomstandigheden waarvan de verdachte melding heeft gemaakt – hij heeft verklaard als verdachte van zedendelicten door medegedetineerden te worden bedreigd en om veiligheidsoverwegingen ervoor te hebben gekozen meermalen 24 uur per dag op cel te blijven – acht de rechtbank niet van dien aard dat deze tot strafmatiging moeten leiden. Het is aan de bevoegde (gevangenis)autoriteiten om passende maatregelen te treffen. Met dit oordeel doet de rechtbank niets af aan het verwerpelijke van de situatie die door de verdachte is geschetst.
De op te leggen straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Alles afwegend acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden. De rechtbank zal aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
De rechtbank zal een deel van die straf, te weten acht maanden, voorwaardelijk opleggen. Daaraan worden een proeftijd van vijf jaren en de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbonden, inclusief de bijzondere voorwaarde van het vermijden van kinderporno, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, te weten aanranding en verkrachting van een minderjarige.
Gelet op de aanwijzingen dat de verdachte zich seksueel aangetrokken voelt tot minderjarigen en het gegeven dat hij hierover geen althans onvoldoende openheid van zaken heeft gegeven, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14c Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Voorlopige hechtenis
De gronden voor de voorlopige hechtenis zijn nog steeds aanwezig. Gezien de bewezenverklaring in dit strafvonnis geldt dat eveneens voor de ernstige bezwaren. De situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, Sv doet zich niet voor: verdere tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis leidt er niet toe dat de verdachte langere tijd beroofd zal blijven dan de duur van de op te leggen gevangenisstraf. De rechtbank wijst daarom het verzoek van verdachte om de voorlopige hechtenis op te heffen, af.

8.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 10.145,93, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 145,93 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade.
8.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
Primair heeft de verdediging verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot schadevergoeding, gelet op het gevoerde verweer met betrekking tot de afwezigheid van alle schuld. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij wat betreft de gevorderde immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Meer subsidiair heeft de verdediging verzocht om de gevorderde immateriële schadevergoeding fors te matigen.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Voor zover de vordering betrekking heeft op materiële schade is deze namens de verdachte niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 145,93.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
- verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
- de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
- de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
- de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een ‘aantasting in persoon op andere wijze’ moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de vordering van de benadeelde partij binnen de laatstgenoemde categorie valt en gegrond kan worden op artikel 6:106, eerste lid, onder b, BW. Dat de benadeelde door de bewezenverklaarde feiten 1, 2 en 3 op andere wijze in de persoon is aangetast, is aannemelijk gelet op de aard en ernst van de onderhavige normschendingen. De rechtbank zal de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 5.000,00. De rechtbank heeft bij het vaststellen van dit bedrag aansluiting gezocht bij de zogeheten Rotterdamse Schaal, betreffende ontucht met binnendringen (artikel 244 en 245 (oud) Sr), waarbij het gaat om verschillende vormen van ontucht bij benadeelden tot zestien jaar oud. Naar het oordeel van de rechtbank passen de feiten in het onderhavige geval aan de bovenkant van de categorie ‘tamelijk ernstig’ van die schaal, nu sprake was van ontucht met oraal binnendringen gedurende een periode tot zes maanden. Daarnaast was sprake van een groot leeftijdsverschil en had de verdachte kinderpornografisch beeldmateriaal van de benadeelde in zijn bezit.
De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. In de toelichting op de vordering is onder meer gesteld dat sprake is van ernstige omstandigheden, namelijk dat de benadeelde een SOA zou hebben opgelopen als gevolg van het seksueel contact met de verdachte. Dit laatste is door de verdediging gemotiveerd betwist. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan het overige deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Bij e-mailbericht van 12 januari 2026 heeft de verdediging ter ondersteuning van haar standpunt informatie over de uitslag van de SOA-test van de verdachte van 8 februari 2025 aan de rechtbank gestuurd. De rechtbank zal deze informatie buiten beschouwing laten, omdat deze op zitting besproken dient te worden, wil de rechtbank deze bij haar oordeelsvorming kunnen betrekken. Nu de rechtbank, zoals volgt uit wat hiervoor is overwogen, niet als vaststaand aanneemt dat de SOA is ontstaan als gevolg van het seksuele contact met de verdachte, acht zij het niet noodzakelijk bij haar beoordeling over verdere informatie van de kant van de verdediging te kunnen beschikken.
Conclusie
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] toewijzen tot een bedrag van € 5145,93, bestaande uit € 145,93 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade. De vordering zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.
Wettelijke rente
De wettelijke rente over de gevorderde materiële schade zal worden toegewezen vanaf 2 mei 2025. De betreffende kosten zijn gemaakt op meerdere momenten in de periode van 7 februari 2025 tot en met 24 juli 2025. De datum die halverwege de voornoemde periode valt is 2 mei 2025.
De wettelijke rente over de gevorderde immateriële schade zal worden toegewezen vanaf de laatste datum die valt binnen de tenlastegelegde periode, te weten 7 februari 2025.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 5145,93, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 145,93 vanaf 2 mei 2025, en over een bedrag van € 5.000,00 vanaf 7 februari 2025, beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] .
BEM-clausule
De rechtbank zal bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2012) te openen spaarrekening met een zogenoemde BEM-clausule. Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen aldus slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen van de minderjarige beschikken tot hij achttien jaar is.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 36f, 57, 247, 248 en 252 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging voor feit 3 voor zover dit feit de periode van 8 april 2007 tot en met 30 juni 2012 betreft;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.3. bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren;
ten aanzien van feit 2:
aanranding in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren, meermalen
gepleegd;
ten aanzien van feit 3 voor het overige:
een visuele weergave van seksuele aard of met een onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt is betrokken, verwerven en in bezit hebben, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 4:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
48 (ACHTENVEERTIG) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
8 (ACHT) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
5(
VIJF) JARENvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
contactverbod
- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2012, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
meldplicht
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland op het adres Oostvest 60, 2011AK te Haarlem op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht. De reclassering zal contact opnemen met de veroordeelde voor de eerste afspraak;
ambulante behandeling
- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van forensische polikliniek de Waag of een soortgelijke zorgverlener, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven. De behandeling begint snel mogelijk en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering noodzakelijk acht. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
vermijden contact met minderjarigen
- op geen enkele wijze contact zoekt met minderjarigen, ook niet via social media. De veroordeelde vermijdt deze contacten zoveel mogelijk. Als contacten onvermijdelijk zijn, zorgt de veroordeelde ervoor dat dit in overleg en met toestemming van de reclassering is;
vermijden kinderporno
- vermijdt dat hij in aanraking komt met kinderpornografisch materiaal en vermijdt dat er kinderpornografisch materiaal op zijn digitale gegevensdragers komt. De veroordeelde onthoudt zich op welke wijze dan ook van:
- het seksueel getint communiceren met minderjarigen;
- het bezoeken van een digitale omgeving waarin kinderpornografisch materiaal kan worden verkregen;
- het bezoeken van een digitale omgeving waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd;
de veroordeelde bespreekt met de reclassering hoe hij denkt dit gedrag te voorkomen. De veroordeelde werkt mee aan controle van digitale gegevensdragers tijdens een huisbezoek en verschaft daartoe toegang tot alle aanwezige computers, smartphones en andere digitale gegevensdragers waarop afbeeldingen kunnen worden opgeslagen of waarmee het internet kan worden benaderd. De veroordeelde verstrekt de wachtwoorden die nodig zijn voor deze controle. De controle op digitale gegevensdragers vindt maximaal drie keer per jaar plaats en is gericht op de vraag of de veroordeelde kinderpornografisch materiaal vermijdt. De controle strekt er niet toe een beeld te krijgen van het persoonlijke leven van de veroordeelde. De reclassering kan voor technische ondersteuning een deskundige meenemen, ook als dit een opsporingsambtenaar is die deskundig is op digitaal gebied. Bij de controle kan gebruik worden gemaakt van een hulpmiddel dat een indicatie geeft of kinderpornografisch materiaal aanwezig is.
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het – op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht – uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;
de vordering van de benadeelde partij;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, voor wat betreft het materiële gedeelte, toe tot een bedrag van € 145,93 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 2 mei 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer] ;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, voor wat betreft het immateriële gedeelte, deels toe tot een bedrag van € 5.000,00 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 februari 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 5145,93, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 145,93 vanaf 2 mei 2025, en over een bedrag van € 5.000,00 vanaf 7 februari 2025, beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 60 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2012) te openen spaarrekening met een BEM-clausule.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.M.A. de Koning, voorzitter,
mr. H.P.M. Meskers, rechter,
mr. A.W. Duijnstee, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. R. Claessens, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 januari 2025.
Bijlage I: de tekst van de tenlastelegging
1
hij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 januari 2025 tot en met 7 februari 2025 te Katwijk en/of Wassenaar en/of Heemskerk, althans in Nederland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2012) (telkens) een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten door:
- zijn, verdachtes, ontblote penis in de mond van die [slachtoffer] te stoppen, en/of
- zich door die [slachtoffer] te laten pijpen;
2
hij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks 9 januari 2025 tot en met 7 februari 2025 te Wassenaar en/of Katwijk en/of Heemskerk, althans in Nederland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2012), (telkens) een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten door:
- die [slachtoffer] op de mond te zoenen en/of (daarbij) met zijn tong in de mond van die [slachtoffer] te gaan, en/of
- die [slachtoffer] onder zijn kleding en/of zijn ontblote lijf te betasten, en/of
- die [slachtoffer] zijn ontblote penis en/of zijn anus te betasten, en/of
- die [slachtoffer] zijn ontblote penis vast te houden en/of hem af te trekken, en/of
- zijn, verdachtes, ontblote penis aan die [slachtoffer] te tonen en/of te betasten, en/of
- zich af te trekken ten overstaan van die [slachtoffer] ;
3
hij in of omstreeks de periode van 8 april 2007 tot en met 27 januari 2025 te Heemskerk, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (in de periode van 8 april 2007 tot en met 30 juni 2024) een of meer afbeeldingen en/of - gegevensdragers, bevattende afbeeldingen - van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt was betrokken en/of schijnbaar was betrokken heeft verspreid en/of aangeboden en/of openlijk tentoongesteld en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of
uitgevoerd en/of verworven en/of in bezit heeft gehad en/of zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe heeft verschaft
en/of
(in de periode van 1 juli 2024 tot en met 27 januari 2025)
een of meer visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele
strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer] (geboren [geboortedatum 2] 2012) en/of een of meerdere onbekend gebleven personen was/waren betrokken of schijnbaar was/waren betrokken heeft
verspreid en/of aangeboden en/of openlijk tentoongesteld en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of verworven en/of in bezit heeft gehad en/of zich daartoe de toegang heeft verschaft
te weten
- afbeeldingen, te weten foto’s en/of video’s, en/of
- visuele weergaven, en/of
- gegevensdragers, bevattende afbeeldingen, te weten een Apple Iphone 15 pro plus en/of een harde schijf (Western Digital) en/of een Ipad en/of een Acer laptop, en/of waarop (telkens) te zien is dat:
een minderjarig persoon oraal en/of anaal wordt gepenetreerd door de penis van een ander minderjarig persoon,
(proces-verbaal pagina 252, 261-262, toonmap #01 t/m #03)
en/of
het geslachtsdeel en/of de billen van een minderjarig persoon door zichzelf en/of door een andere minderjarige wordt/worden aangeraakt
(proces-verbaal pagina 252, 262 t/m 264, toonmap #04 t/m #08)
en/of
een minderjarig persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en/of in een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn leeftijd past
en/of
door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van die persoon en/of de uitsnede van de foto’s/films nadrukkelijk het geslachtsdeel en/of billen van die persoon in beeld worden gebracht
(proces-verbaal pagina 252, 265, toonmap #09 t/m #10)
en/of
[slachtoffer] poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en/of in een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn leeftijd past
en/of
door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van die [slachtoffer] en/of de uitsnede van de foto’s/films nadrukkelijk het geslachtsdeel en/of billen van die [slachtoffer] in beeld worden gebracht
(proces-verbaal pagina 253);
4
hij, op of omstreeks 7 februari 2025 te Heemskerk, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 127,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;