ECLI:NL:RBDHA:2026:6876

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
NL25.25270
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel en terugkeerbesluit

Verzoeker, van Somalische nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister wees deze aanvraag op 5 juni 2025 af als kennelijk ongegrond en legde tevens een terugkeerbesluit met een inreisverbod van twee jaar op. Verzoeker stelde beroep in en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 1 september 2025, waarbij partijen en een tolk aanwezig waren. Het onderzoek werd geschorst om de minister in de gelegenheid te stellen een standpunt in te nemen over de verhouding tussen het terugkeerbesluit met 0-dagen termijn en de vluchtelingenstatus die verzoeker in Griekenland had verkregen. Tevens bracht de minister een nieuw Algemeen Ambtsbericht Somalië 2025 in.

Na schriftelijke reacties van beide partijen werd het onderzoek voortgezet op 5 februari 2026 en daarna gesloten. De voorzieningenrechter oordeelde dat een voorlopige voorziening niet langer nodig was vanwege de inhoud van de uitspraak op het beroep (zaaknummer NL25.25269) en wees het verzoek af. Wel werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoeker ter hoogte van €1868,-.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.25270

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam] , verzoeker

gesteld te zijn geboren op [datum] ,
V-nummer: [nummer]
van Somalische nationaliteit
(gemachtigde: mr. H. Meijerink),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Procesverloop

1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 5 juni 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens is aan verzoeker een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaren. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de behandeling van het beroep [1] , op 1 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, een tolk en mr. D. Post als de gemachtigde van de minister.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de minister in de gelegenheid gesteld om een standpunt in te nemen hoe het uitvaardigen van een terugkeerbesluit met een 0-dagen termijn en bijbehorend inreisverbod zich verhoudt tot de verleende vluchtelingenstatus in Griekenland. Daarnaast heeft de minister aangegeven het nieuwe AAB [2] Somalië van 2025 in te brengen in het kader van de door verzoeker overgelegde documenten en ten aanzien van de algehele veiligheidssituatie in Somalië.
1.3.
Bij brief van 10 september 2025 heeft de minister van die gelegenheid gebruik gemaakt.
1.4.
Verzoeker heeft bij bericht van 24 september 2025 daarop gereageerd.
1.5.
Het onderzoek ter zitting is op verzoek van partijen voortgezet op de zitting van
5 februari 2026. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, een tolk en de gemachtigde van de minister. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.25269, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
2.1.
De voorzieningenrechter ziet, gelet op de inhoud van de uitspraak op het beroep aanleiding te bepalen dat verzoeker een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1868,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 1 september 2025; met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt de minister tot betaling van een bedrag van € 1868,00 aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.NL25.25269
2.Algemeen Ambtsbericht.