ECLI:NL:RBDHA:2026:6880

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
C/09/701307 / KG ZA 26-266
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 Regeling tijdelijk verlaten van de inrichtingArt. 26 Penitentiaire BeginselenwetArt. 80 lid 7 Wetboek van StrafvorderingArt. 6 lid 2 EVRMArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek gedetineerde tot bijwonen uitvaart moeder tijdens voorlopige hechtenis

De gedetineerde is veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf wegens deelname aan een criminele organisatie en bevindt zich in voorlopige hechtenis. Na het overlijden van zijn moeder verzocht hij om verlof om de uitvaart bij te wonen, maar dit werd door het gerechtshof en de inrichting geweigerd vanwege het strafrestant en de noodzaak van bewaking.

De gedetineerde stelde dat het onschuldvermoeden geldt en dat het recht op familieleven een belangenafweging vereist, maar de rechtbank oordeelde dat de beslissing van de selectiefunctionaris marginaal getoetst moet worden en in redelijkheid genomen kon worden.

De rechtbank overwoog dat het bijwonen van de uitvaart onder bewaking niet mogelijk is en dat het recht op familieleven geen onvoorwaardelijk recht op verlof inhoudt. De vordering werd afgewezen en de gedetineerde werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek van de gedetineerde om de uitvaart van zijn moeder bij te wonen wordt afgewezen vanwege noodzakelijke bewaking tijdens voorlopige hechtenis.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/701307 / KG ZA 26-266
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 13 maart 2026
in de zaak van
[eiser]te [verblijfplaats] (PI [locatie]),
eiser,
advocaat mr. R.J.H. van der Wal te Hengelo,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid)te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. J.W.M. Jansen te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’.
Mr. Van der Wal heeft op 13 maart 2026 bij de rechtbank een aanvraag voor een kort geding ingediend. In de aanvraag is vermeld dat mr. Jansen namens de Staat op 13 en 14 maart beschikbaar is voor een zitting. Vanwege de spoedeisendheid van de zaak is de zitting bepaald op 13 maart 2026 om 17.00 uur. De Staat is – op basis van de concept-dagvaarding – vrijwillig verschenen. De zitting heeft via video-verbinding plaatsgevonden.
Aanwezig is mr. H.J. Vetter, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. D. de Gelder, griffier.
Tevens zijn aanwezig:
- mr. Van der Wal (namens [eiser], zelf niet aanwezig);
- mr. Jansen namens de Staat, vergezeld van mevrouw [naam] (DJI).
Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.

1.De gronden van de beslissing

1.1.
[eiser] is op 23 december 2025 door de rechtbank Overijssel veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar vanwege – kort weergegeven – deelname aan een criminele organisatie die zich bezig hield met de handel in diverse soorten hard- en softdrugs. Hij heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. [eiser] bevindt zich in voorlopige hechtenis. Bij beschikking van 3 februari 2026 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is de voorlopige hechtenis van [eiser] verlengd voor de duur van 120 dagen.
1.2.
Op [datum 1] 2026 is de moeder van [eiser] overleden. De uitvaart vindt plaats op [datum 2] 2026 bij het uitvaartcentrum te [plaats].
1.3.
Op 10 maart 2026 heeft de advocaat van [eiser] bij de Raadkamer Gevangenhouding van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een verzoek ingediend tot kortdurende schorsing van de voorlopige hechtenis, zodat [eiser] in de gelegenheid gesteld kan worden om afscheid te nemen van zijn moeder. Het verzoek is afgewezen. Het gerechtshof heeft de advocaat van [eiser] bericht dat gelet op artikel 80 lid 7 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) een verlofverzoek zoals door [eiser] is gedaan, moet worden ingediend bij de directeur van de inrichting waar hij verblijft. Namens [eiser] is het verzoek daarop ingediend bij de directeur van de PI. De Vrijheden Commissie (VC) heeft positief geadviseerd ten aanzien van incidenteel verlof onder begeleiding van DV&O.
1.4.
De selectiefunctionaris heeft bij beschikking van 12 maart 2026 namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: de Staatssecretaris) beslist dat op grond van artikel 26 van Pro de Penitentiaire Beginselenwet begeleid verlof voor [eiser] is toegestaan. Dit verlof is toegestaan voor een rouwbezoek aan de moeder van [eiser], maar niet voor het bijwonen van de uitvaart. De selectiefunctionaris heeft in dat verband overwogen dat hij het gezien het ‘strafrestant’ van [eiser] noodzakelijk acht dat [eiser] onder bewaking/begeleiding van DV&O (Dienst Vervoer en Ondersteuning) met incidenteel verlof gaat, zodat het bijwonen van de uitvaart is uitgesloten (artikel 24 Regeling Pro tijdelijk verlaten van de inrichting).
1.5.
Op 13 maart 2026 heeft [eiser] afscheid genomen van zijn moeder in het uitvaartcentrum.
1.6.
[eiser] vordert in deze procedure – verkort weergegeven – uitvoerbaar bij voorraad, de Staat te gelasten hem in staat te stellen om op [datum 2] 2026 de uitvaart van zijn moeder bij te wonen onder door de voorzieningenrechter te bepalen voorwaarden, althans dat hij in staat wordt gesteld om de afscheidsplechtigheid bij te wonen, met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure. De Staat voert verweer.
1.7.
Het gevorderde komt niet voor toewijzing in aanmerking. Daartoe is het volgende redengevend.
1.8.
Voor wat betreft het wettelijk kader is het volgende van belang. Op grond van artikel 26 van Pro de Penitentiair beginselenwet (Pbw) geldt dat de minister nadere regels stelt met betrekking tot het verlaten van de inrichting bij wijze van verlof door een gedetineerde. Nadere regels zijn gesteld in de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (Rtvi). Artikel 24 Rtvi Pro bepaalt dat incidenteel verlof kan worden verleend voor een bezoek in verband met het overlijden van de ouder van de gedetineerde (lid 1). Het bezoek kan bestaan in het bijwonen van de uitvaart, een rouwbezoek dan wel een bezoek aan graf of columbarium (lid 2). Lid 3 bepaalt dat het bijwonen van de uitvaart is uitgesloten indien bewaking is aangewezen.
1.9.
[eiser] stelt dat de selectiefunctionaris, die namens de Staatssecretaris op het incidentele verlofverzoek van [eiser] heeft beslist, niet tot de beslissing heeft kunnen komen dat voor zijn (incidentele) rouwverlof begeleiding/bewaking noodzakelijk is, waardoor het bijwonen van de uitvaart van zijn moeder is uitgesloten. [eiser] wijst erop dat de selectiefunctionaris aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd dat het ‘strafrestant’ van [eiser] in de weg staat aan onbewaakt verlof, maar volgens [eiser] kan er geen sprake zijn van een strafrestant omdat hij nog niet onherroepelijk is veroordeeld. [eiser] verblijft nog in voorlopige hechtenis en daarom geniet hij nog de bescherming van het onschuldvermoeden van artikel 6 lid 2 EVRM Pro. Die situatie kan niet gelijkgesteld worden met een situatie van een veroordeelde met een lang strafrestant, aldus [eiser]. Verder heeft de selectiefunctionaris volgens [eiser] niet gemotiveerd waarom hij heeft afgeweken van het positieve advies van de VC. Het bijwonen van een begrafenis is een fundamenteel onderdeel van het recht op privé- en familieleven als bedoeld in artikel 8 EVRM Pro. Dit recht kan weliswaar worden ingeperkt, maar er heeft geen belangenafweging plaatsgehad en een algemene verwijzing naar zijn ‘strafrestant’ is onvoldoende, zo heeft [eiser] aangevoerd.
1.10.
Omdat niet gebleken is dat er voor [eiser] gelet op het spoedeisende karakter van zijn vordering – de begrafenis vindt maandag [datum 2] 2026 plaats – een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang beschikbaar is om de beslissing van de selectiefunctionaris in rechte op zeer korte termijn te laten toetsen, wordt [eiser] ontvangen in zijn vordering bij de voorzieningenrechter.
1.11.
De voorzieningenrechter dient de beslissing van de selectiefunctionaris marginaal te toetsen, in die zin dat beoordeeld moet worden of deze in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen dat [eiser] de uitvaart niet mag bijwonen omdat daarvoor bewaking noodzakelijk zou zijn. Dat besluit heeft de selectiefunctionaris naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid kunnen nemen. Uitgangspunt is dat [eiser] door de rechtbank is veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf. Deze straf is weliswaar nog niet onherroepelijk, zodat de term ‘strafrestant’, zoals gebruikt door de selectiefunctionaris in zijn beslissing van 12 maart 2026 wat ongelukkig is geformuleerd, maar [eiser] bevindt zich nu in voorlopige hechtenis en naar de huidige stand van zaken moet er in ieder geval rekening gehouden worden met een langdurige detentie. In dat licht kon in redelijkheid worden beslist dat bewaking voor [eiser] in geval van het bijwonen van een uitvaart noodzakelijk zou zijn, zelfs als vluchtgevaar niet een bijzondere reden is geweest om de voorlopige hechtenis te verlengen. Dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat bewaking niet aangewezen is, is niet gebleken. Het is juist dat bij een langer verblijf in detentie onder voorwaarden aan een gedetineerde meer vrijheden vergund worden, maar van zo’n situatie is in het geval van [eiser] nog geen sprake. De beslissing dat nu nog geen verdere vrijheden worden verleend, valt dan ook te billijken. Dat de selectiefunctionaris zou hebben afgeweken van het advies van de VC, is overigens niet gebleken. Verder is van belang dat, hoewel dat uiteraard niet op één lijn is te stellen met lijfelijke aanwezigheid tijdens de uitvaartbijeenkomst, voor [eiser] in ieder geval de mogelijkheid bestaat om vanuit de PI de uitvaartdienst bij te wonen mits (ook) het uitvaartcentrum dat technisch faciliteert.
1.12.
Een beroep op artikel 8 van Pro het EVRM kan [eiser] niet baten. Aan het recht op familieleven kan geen onvoorwaardelijk recht op verlof voor het nemen van afscheid worden ontleend. Met artikel 26 lid 3 Pbw Pro en de daarop gebaseerde Rtvi is bij wet voorzien in een grondslag voor inmenging in het recht op eerbiediging van familieleven. De gegeven beslissing valt onder de gegeven omstandigheden zoals gezegd te billijken.
1.13.
De slotsom luidt dat zowel het primair als het subsidiair gevorderde niet voor toewijzing in aanmerking komt. De vorderingen zullen worden afgewezen.
1.14.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht € 714,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 2.080,00
1.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

2.De beslissing

De voorzieningenrechter:
2.1.
wijst het gevorderde af;
2.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.080,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
2.3.
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
2.4.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
WAARVAN PROCES-VERBAAL,
…………………………………. …………………………………
mr. D. de Gelder mr. H.J. Vetter