De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot 7 januari 2026. De toetsing richtte zich daarom op de periode van 7 januari tot 5 maart 2026.
Eiser stelde dat het Openbaar Ministerie geen toestemming had gegeven voor zijn uitzetting, waardoor de maatregel onrechtmatig zou zijn. Ook voerde hij aan dat het vooruitzicht op een gevangenisstraf het zicht op uitzetting zou belemmeren. De rechtbank oordeelde dat het OM wel degelijk toestemming had gegeven en dat er zicht was op uitzetting naar Algerije, mede omdat een laissez-passer-aanvraag in behandeling was en geen aanwijzingen bestonden dat deze zou worden geweigerd.
De rechtbank voerde tevens een ambtshalve toetsing uit aan de hand van relevante EU-rechtspraak, waaronder het beginsel van non-refoulement en het belang van familie- en gezinsleven. Er waren geen omstandigheden die zich tegen verwijdering verzetten. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.