ECLI:NL:RBDHA:2026:6886

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
NL26.10694
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 VwArt. 310 SrArt. 5 richtlijn 2008/115
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot 7 januari 2026. De toetsing richtte zich daarom op de periode van 7 januari tot 5 maart 2026.

Eiser stelde dat het Openbaar Ministerie geen toestemming had gegeven voor zijn uitzetting, waardoor de maatregel onrechtmatig zou zijn. Ook voerde hij aan dat het vooruitzicht op een gevangenisstraf het zicht op uitzetting zou belemmeren. De rechtbank oordeelde dat het OM wel degelijk toestemming had gegeven en dat er zicht was op uitzetting naar Algerije, mede omdat een laissez-passer-aanvraag in behandeling was en geen aanwijzingen bestonden dat deze zou worden geweigerd.

De rechtbank voerde tevens een ambtshalve toetsing uit aan de hand van relevante EU-rechtspraak, waaronder het beginsel van non-refoulement en het belang van familie- en gezinsleven. Er waren geen omstandigheden die zich tegen verwijdering verzetten. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10694

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.J. van den Hoogen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 25 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft nadere gronden ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 5 maart 2026.

Overwegingen

Inleiding
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 13 januari 2026 (in de zaak NL25.63497) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 7 januari 2026. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 7 januari 2026 tot 5 maart 2026.
Toestemming Openbaar Ministerie en zicht op uitzetting
3. Eiser stelt dat hij is gedagvaard en dat aan hem waarschijnlijk een gevangenisstraf zal worden opgelegd. Aangezien het Openbaar Ministerie (OM) belang heeft bij de vervolging, kon niet worden aangenomen dat het OM toestemming heeft gegeven voor zijn uitzetting. Dit maakt de inbewaringstelling onrechtmatig vanwege het ontbreken van zicht op uitzetting, aldus eiser. Subsidiair voert eiser aan dat indien een gevangenisstraf wordt opgelegd, ook daardoor geen zicht op uitzetting bestaat.
4. Uit paragraaf A3/6.3, aanhef en onder c, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) volgt, voor zover hier van belang, dat geen uitzetting van vreemdelingen plaatsvindt ondanks het feit dat de vertrekplicht van kracht is (1) als de vreemdeling als verdachte van een strafbaar feit is aangehouden en het strafonderzoek niet door het OM is beëindigd of (2) als de vreemdeling een strafvervolging wegens een misdrijf heeft lopen en op de strafvervolging niet onherroepelijk is beslist. In voormelde situaties mag wel tot uitzetting worden overgegaan als het OM of het Centraal Justitieel Incassobureau hiertegen binnen drie werkdagen geen bezwaar maakt.
5. Uit eisers uittreksel Justitiële Documentatie van 21 december 2025 blijkt dat er sprake is van twee openstaande zaken, waarvan één een misdrijf op grond van artikel 310 Wetboek Pro van Strafrecht (winkeldiefstal) betreft. Het OM heeft eiser op 21 december 2025 voor deze zaak gedagvaard. Daarnaast is in het dossier een brief van verweerder van 22 december 2025 opgenomen waarin toestemming aan het OM wordt gevraagd voor de uitzetting van eiser. Uit het voortgangsrapport blijkt dat het OM op 23 december 2025 (twee dagen na de dagvaarding) heeft laten weten geen bezwaar te hebben tegen de uitzetting. De stelling van eiser dat niet kon worden aangenomen dat het OM toestemming heeft gegeven voor zijn uitzetting, volgt de rechtbank dan ook niet. Ook eisers subsidiaire standpunt dat zicht op uitzetting ontbreekt omdat een gevangenisstraf voor eiser dreigt volgt de rechtbank niet. In de te toetsen periode was geen sprake van een gevangenisstraf en wel van zicht op uitzetting naar Algerije. De op 31 december 2025 voor eiser ingediende laissez-passer (lp)-aanvraag is nog (steeds) in behandeling bij de Algerijnse autoriteiten. Het is de rechtbank niet gebleken dat de Algerijnse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat zij ten behoeve van eiser geen lp zullen afgeven of dat zij niet (meer) willen meewerken aan de terugkeerprocedure. Er zijn door eiser ook geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat het lopende traject op niets zal uitlopen en dat er voor hem geen lp zal worden afgegeven. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.