De minister van Asiel en Migratie legde op 26 september 2025 een maatregel van vreemdelingenbewaring op aan eiser. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze bewaring en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had de rechtmatigheid van de maatregel reeds eerder beoordeeld en oordeelde dat de bewaring tot het sluiten van het onderzoek op 26 januari 2026 rechtmatig was.
De beoordeling in deze zaak richtte zich op de periode van 26 januari 2026 tot 6 februari 2026, toen de bewaring werd opgeheven. Eiser voerde aan dat de gronden voor de bewaring niet konden dragen, dat een lichter middel had moeten worden toegepast, en dat er geen zicht was op uitzetting binnen afzienbare tijd. Deze gronden waren echter reeds eerder beoordeeld en verworpen, en eiser bracht geen nieuwe feiten aan.
De rechtbank stelde vast dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld, onder meer door het aanvragen van een laissez-passer en het voeren van een vertrekgesprek met eiser. Er was zicht op uitzetting naar Marokko. Ook ambtshalve toetsing aan Europese jurisprudentie en het beginsel van non-refoulement leverde geen onrechtmatigheid op.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.