Eiser diende op 19 september 2024 een verzoek tot naturalisatie in, dat door de minister van Asiel en Migratie op 3 maart 2025 werd afgewezen wegens ernstige vermoedens dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Dit was gebaseerd op een onherroepelijk strafvonnis van 14 juli 2022, waarbij eiser een taakstraf van 40 uur kreeg opgelegd en zich nog in de proeftijd bevond tot 10 september 2025.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht het beleid uit de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) hanteert, waarin een taakstraf van 36 uur of meer en het feit dat de proeftijd nog loopt, leiden tot afwijzing van naturalisatieverzoeken. Eiser voerde aan dat dit beleid willekeurig is en onvoldoende gemotiveerd, maar de rechtbank stelt dat verwijzing naar de beleidsregel volstaat en dat de beleidskeuze redelijk is.
Verder wees de rechtbank het beroep af omdat eiser geen bijzondere feiten of omstandigheden aannemelijk maakte die een afwijking van het beleid rechtvaardigen. Ook het bezwaar dat eiser niet is gehoord in de bezwaarfase faalt, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst terugbetaling van griffierecht en proceskostenvergoeding af.