Eiser diende op 19 september 2024 een verzoek tot naturalisatie in, dat door de minister van Asiel en Migratie op 3 maart 2025 werd afgewezen wegens ernstige vermoedens dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Dit was gebaseerd op een onherroepelijk strafvonnis van 14 juli 2022, waarbij eiser een taakstraf van 40 uur en een voorwaardelijke jeugddetentie met proeftijd kreeg opgelegd. De minister handhaafde dit besluit bij bezwaar op 24 juni 2025.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht het beleid uit de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) hanteert, waarin een taakstraf van 36 uur of meer en het feit dat de proeftijd nog loopt, leiden tot afwijzing van naturalisatieverzoeken. Eiser betoogde dat deze beleidsgrens willekeurig is en onvoldoende gemotiveerd, maar de rechtbank stelt vast dat de minister volstaat met verwijzing naar de beleidsregel en dat deze keuze redelijk is.
Eiser voerde ook aan dat bijzondere omstandigheden tot afwijking van het beleid zouden moeten leiden, zoals zijn minderjarigheid ten tijde van het delict en persoonlijke gevolgen van de afwijzing. De rechtbank wijst dit af omdat deze omstandigheden reeds door de strafrechter zijn meegewogen en omdat gevolgen van afwijzing niet relevant zijn voor de beoordeling van het gevaar voor de openbare orde.
Ten slotte oordeelt de rechtbank dat het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond was, zodat geen hoorplicht bestond. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eiser krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed.