ECLI:NL:RBDHA:2026:6918
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing urgentieverklaring wegens weigeringsgronden en geen toepassing hardheidsclausule
Eiser en zijn meerderjarige dochter, beiden lijdend aan een oogziekte, wonen sinds 1 januari 2025 in de woning van de ouders van eiser. Eiser verzocht om een urgentieverklaring omdat de woning ongeschikt is vanwege trappen, beperkte ruimte en hygiënische omstandigheden, en omdat de vader van eiser wil dat zij vertrekken. Verweerder wees de aanvraag af op grond van weigeringsgronden uit de Huisvestingsverordening Den Haag.
Eiser betoogde dat de afwijzing onterecht was, onder meer vanwege de medische situatie en de complexe scheidingsproblematiek die hem dwong de vorige woning te verlaten. Ook stelde hij dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden. De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder beleidsvrijheid heeft bij het toekennen van urgentieverklaringen en dat het restrictieve beleid niet onredelijk is gezien de schaarste aan sociale huurwoningen.
Omdat eiser bij zijn vader inwoont, is sprake van een weigeringsgrond waardoor verweerder niet hoefde te toetsen aan sociale en medische omstandigheden. De dochter kon bij haar moeder blijven, zodat haar situatie niet hoefde mee te wegen. De hardheidsclausule wordt slechts toegepast bij zeer uitzonderlijke schrijnende omstandigheden, welke eiser niet aannemelijk maakte. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.