Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6918

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
26/174 en 26/175
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 Huisvestingsverordening Den HaagArt. 4:7 Huisvestingsverordening Den HaagArt. 7:3 Huisvestingsverordening Den HaagArt. 8:86 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing urgentieverklaring wegens weigeringsgronden en geen toepassing hardheidsclausule

Eiser en zijn meerderjarige dochter, beiden lijdend aan een oogziekte, wonen sinds 1 januari 2025 in de woning van de ouders van eiser. Eiser verzocht om een urgentieverklaring omdat de woning ongeschikt is vanwege trappen, beperkte ruimte en hygiënische omstandigheden, en omdat de vader van eiser wil dat zij vertrekken. Verweerder wees de aanvraag af op grond van weigeringsgronden uit de Huisvestingsverordening Den Haag.

Eiser betoogde dat de afwijzing onterecht was, onder meer vanwege de medische situatie en de complexe scheidingsproblematiek die hem dwong de vorige woning te verlaten. Ook stelde hij dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden. De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder beleidsvrijheid heeft bij het toekennen van urgentieverklaringen en dat het restrictieve beleid niet onredelijk is gezien de schaarste aan sociale huurwoningen.

Omdat eiser bij zijn vader inwoont, is sprake van een weigeringsgrond waardoor verweerder niet hoefde te toetsen aan sociale en medische omstandigheden. De dochter kon bij haar moeder blijven, zodat haar situatie niet hoefde mee te wegen. De hardheidsclausule wordt slechts toegepast bij zeer uitzonderlijke schrijnende omstandigheden, welke eiser niet aannemelijk maakte. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 26/174 en SGR 26/175
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 maart 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.J. Zennipman),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. E.C. Bloem).

Inleiding

1. Met het primaire besluit van 4 juli 2025 heeft verweerder de aanvraag van eiser om een urgentieverklaring afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 december 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is hij bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep [1] ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2025. Hierbij waren aanwezig: eiser, zijn zus en de maatschappelijk werker van eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.
1.4.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen. [2]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser woont vanaf 1 januari 2025 samen met zijn inmiddels meerderjarige dochter in de woning van zijn ouders aan de [adres 1] (hierna: de woning). Hiervoor woonde hij met zijn toenmalige partner en hun drie kinderen in de woning aan de [adres 2] . Deze heeft hij destijds op basis van urgentie toegewezen gekregen, echter heeft hij deze woning samen met zijn oudste kind verlaten toen hij en zijn toenmalige partner uit elkaar gingen. Eiser is van mening dat de huidige woning ongeschikt is voor hem en zijn dochter. Ze lijden beiden aan dezelfde oogziekte waardoor zij een zeer beperkt zicht hebben. De in de woning aanwezige trappen leveren gelet daarop een veiligheidsrisico voor hen op. Bovendien is de woning te klein en onvoldoende hygiënisch, wat de kans op infecties verhoogt. Voorts is de vader van eiser op leeftijd en hij wil dat eiser en zijn dochter de woning verlaten. De huidige woonsituatie levert eiser veel stress en angst op, waarvoor hij in behandeling is bij een GGZ-psycholoog. Gelet op het voorgaande heeft eiser namens hem en zijn dochter op 3 april 2025 een aanvraag om een urgentieverklaring gedaan.
Wat vindt eiser?
3. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn urgentieaanvraag, omdat sprake is van een urgent huisvestingsprobleem. Als hij niet langer met zijn dochter in woning van zijn vader kan verblijven dan moeten zij op straat leven. Ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij het huisvestingsprobleem had kunnen voorkomen. Door de complexe scheidingsproblematiek, waar ook de kinderen in psychisch en sociaal opzicht veel last van hebben (gehad), werd hij gedwongen om zijn vorige woning te verlaten. Hij is daar ook op aanraden van de politie weggegaan. Als hij de keuze had gemaakt om in de woning te blijven, dan had dit als consequentie gehad dat zijn ex-partner met hun twee andere kinderen op straat kwamen te staan. Vanwege zijn gezondheidsproblemen is eiser niet in staat om voor alle drie de kinderen te zorgen. Tot slot heeft verweerder ten onrechte de hardheidsclausule niet toegepast. Uit de door hem overlegde medische stukken blijkt duidelijk dat hij met zijn dochter, die dezelfde visuele beperking heeft, niet in de huidige gebrekkige woning van zijn vader kan blijven wonen. De ingebrachte medische stukken hadden verweerder op zijn minst aanleiding moeten geven om een medisch onderzoek in te stellen.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
Heeft verweerder de urgentieaanvraag mogen weigeren?
4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder bij het toekennen van een urgentieverklaring beoordelingsruimte en beleidsvrijheid heeft. Daarom toetst de voorzieningenrechter het bestreden besluit terughoudend. Het restrictieve beleid van verweerder ten aanzien van urgentieverklaringen heeft als doel de verdeling van de schaarse woningvoorraad onder de vele woningzoekenden op een zo rechtvaardig mogelijke manier te regelen. Het verlenen van voorrang aan de één betekent namelijk dat andere woningzoekenden langer op een woning moeten wachten.
4.1.
Dit restrictieve beleid wordt, in aanmerking genomen het grote aantal aanvragen voor een urgentieverklaring en het in verhouding daarmee geringe aantal sociale huurwoningen dat voor toewijzing beschikbaar is, door de hoogste bestuursrechter niet onredelijk geacht. [3] Indien één van de weigeringsgronden van artikel 4:5 van Pro de Huisvestingsverordening van toepassing is, wordt een aanvraag om een urgentieverklaring in beginsel afgewezen. [4]
4.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er een of meer weigeringsgronden van toepassing zijn, nu eiser bij zijn vader inwoont. [5] Het voorgaande betekent dat verweerder de aanvraag van eiser om een urgentieverklaring in beginsel mocht afwijzen. Omdat er weigeringsgronden van toepassing zijn, komt verweerder niet toe aan de beoordeling van de sociale en medische omstandigheden van eiser. [6]
4.3.
Ten aanzien van dochter [naam] wordt nog het volgende overwogen. Weliswaar was zij ten tijde van de beslissing op bezwaar nog minderjarig, maar niet duidelijk is geworden dat zij bij eiser in zou moeten wonen en niet bij haar moeder in huis zou kunnen blijven. Daarom heeft verweerder dit niet hoeven betrekken bij de urgentie aanvraag. [7]
Had verweerder de hardheidsclausule moeten toepassen?
5. Verweerder kan bepalingen uit de Huisvestingsverordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken op grond van de hardheidsclausule. Zoals de hoogste bestuursrechter heeft overwogen, heeft het bestuursorgaan bij het al dan niet toepassen van een hardheidsclausule ook beoordelingsruimte. [8] Het gebruik van deze ruimte wordt door de rechter eveneens terughoudend getoetst. De hardheidsclausule wordt slechts toegepast in gevallen waarin het niet toekennen van een urgentieverklaring leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. [9] Het moet daarbij gaan om zeer uitzonderlijke en schrijnende omstandigheden.
5.1.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft eiser met de door hem ingediende stukken niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een dergelijke situatie. Uit de verklaringen van zijn huisarts, maatschappelijk werker en GGZ-psycholoog kan weliswaar worden afgeleid dat de woonsituatie van eiser gezien zijn medische situatie niet wenselijk is, maar niet dat sprake is van omstandigheden die in het licht van de regelgeving zó onbillijk of schrijnende zijn, dat verweerder gehouden was om alsnog een urgentieverklaring te verlenen. In dit licht was er voor verweerder ook geen aanleiding om nader onderzoek te doen. De voorzieningenrechter begrijpt dat de situatie voor eiser en zijn dochter zwaar is, maar de lat bij het toewijzen van de hardheidsclausule ligt heel hoog.

Conclusie en gevolgen

6. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Omdat met deze uitspraak op het beroep wordt beslist, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Zaak nummer SGR 26/174.
2.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:628.
4.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2022, ECLI:RVS:2022:3397.
5.Artikel 2.1.2 Nadere uitwerking afwijzingsgrond artikel 4:5, onder b, van de verordening, van de Beleidsregel urgentieverklaringen Den Haag 2019.
6.In de zin van artikel 4:7, eerste lid, van de Huisvestingsverordening Den Haag 2023 (de Huisvestingsverordening).
7.Artikel 1.2.5 van de Beleidsregel.
8.Zie bijvoorbeeld die uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:231.
9.Artikel 7:3 Hardheidsclausule Pro, van de Huisvestingsverordening.