Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6925

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
28 maart 2026
Zaaknummer
C/09/682344 / FA RK 25-2185
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:392 BWArt. 1:394 BWArt. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling kinderalimentatie voor biologische vader na beëindigde affectieve relatie

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de moeder om kinderalimentatie vast te stellen ten behoeve van haar twee minderjarige kinderen, geboren in 2017 en 2019. De man erkende op de zitting dat hij de biologische vader is, waardoor de rechtbank het verzoek ontvankelijk verklaarde.

De rechtbank stelde de ingangsdatum van de alimentatie vast op de datum van de beschikking, 25 februari 2026. Omdat partijen nooit in gezinsverband hebben samengewoond, werd de behoefte van de kinderen berekend als het gemiddelde van de behoefte bij iedere ouder, gebaseerd op het netto besteedbaar inkomen inclusief kindgebonden budget in 2019, het jaar van de jongste geboorte. De behoefte werd geïndexeerd naar 2026 en vastgesteld op €340 per maand.

De draagkracht van de moeder werd op nihil gesteld vanwege haar bijstandsuitkering. De man heeft een bruto weekloon van €742 plus vakantiegeld en premies, wat resulteert in een netto besteedbaar inkomen van €2.877 per maand. De draagkracht van de man werd berekend op €454 per maand, hoger dan de behoefte van de kinderen.

Er werd rekening gehouden met een zorgkorting van 5% omdat de man de kinderen af en toe ziet, wat neerkomt op €17 per maand. De bijdrage van de man werd daardoor vastgesteld op €323 per maand. Omdat de moeder slechts €300 per maand verzocht, stelde de rechtbank dit bedrag vast, per kind €150, telkens bij vooruitbetaling en uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank stelt de kinderalimentatie vast op €150 per kind per maand met ingang van de datum van de beschikking.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-2185
Zaaknummer: C/09/682344
Datum beschikking: 25 februari 2026

Alimentatie

Beschikking op het op 24 maart 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.N. Baldew te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het digitale bericht van de vrouw van 24 april 2025.
Op 28 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man.

Verzoek

Het verzoek van de vrouw luidt om met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift de kinderalimentatie op € 150,- per kind per maand te bepalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
- De vrouw is de moeder van:
­ [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats 1] ;
­ [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats 2] ;
- De kinderen zijn niet erkend.
- De vrouw is van rechtswege belast met het gezag over de kinderen.
- Partijen hebben beiden de Nederlandse nationaliteit.

Beoordeling

Ontvankelijkheid
De vrouw verzoekt om de vaststelling van een door de man te betalen bijdrage aan kinderalimentatie. Uit artikel 1:392 BW Pro, in samenhang met artikel 1:394 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat naast een (juridisch) ouder, ook de verwekker van een kind dat alleen een moeder heeft, verplicht is om te voorzien in de kosten van de verzorging en opvoeding van het kind. De man heeft op de zitting erkend dat hij de (biologische) vader van de kinderen is, zodat de rechtbank hiervan uit zal gaan. De vrouw is daarom ontvankelijk in haar verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW Pro een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van de beschikking.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is door partijen niet berekend. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Omdat partijen nooit in gezinsverband hebben samengewoond, moet de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] worden bepaald aan de hand van het gemiddelde van de behoefte bij iedere ouder. Dit wordt dus berekend door de behoefte op basis van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de ene ouder (inclusief het door haar ontvangen kindgebonden budget) vast te stellen en de behoefte berekend op basis van het inkomen van de andere ouder (inclusief het fictief te ontvangen kindgebonden budget) vast te stellen. Het gemiddelde hiervan is uiteindelijk de behoefte. Daarbij neemt de rechtbank het jaar 2019 als uitgangspunt, zijnde het jaar waarin [de minderjarige 2] is geboren.
Voor het bepalen van het behoefte van de kinderen bij de vrouw, moet allereerst haar NBI worden berekend. Ten tijde van de geboorte van [de minderjarige 2] ontving de vrouw een bijstandsuitkering. Haar NBI, inclusief kindgebonden budget bedraagt dan € 1.471,- per maand. De behoefte van de kinderen bedraagt dan € 258,- per maand.
In 2019 ontving de man eveneens een bijstandsuitkering, zodat het NBI van de man, inclusief (fictief) kindgebonden budget, gelijk is aan dat van de vrouw en ook de behoefte van de kinderen bij de man gelijk is.
De behoefte van de kinderen bedroeg dus in 2019 (gemiddeld) € 258,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] € 340,- per maand. De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht vrouw
De vrouw ontvangt nog altijd een bijstandsuitkering en is de ouder bij wie de kinderen staan ingeschreven. Conform het Rapport Alimentatienormen zal de rechtbank daarom haar draagkracht op nihil stellen.
Draagkracht man
Door de man is op de zitting inzage gegeven in zijn loonstrook van 2 december 2025. Hieruit volgt dat de man een brutoloon ontvangt van € 742,- per week, te vermeerderen met 8% vakantiegeld. De rechtbank houdt verder rekening met de premies, inclusief pensioen, van in totaal € 21,- per maand en een premie WGA van netto € 2,- per maand.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 2.877,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [2.877 – (863 + 1.365)] = € 454,- per maand. Dit bedrag overstijgt de hier berekende behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] van € 340,- per maand. Nu de vrouw geen draagkracht heeft, is het aandeel van de man in de kosten van de kinderen gelijk aan de behoefte van de kinderen van € 340,- per maand.
Zorgkorting
Tussen de man en de kinderen geldt geen vaste zorgregeling. De man ziet [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] af en toe. De rechtbank zal daarom rekening houden met een zorgkorting van 5%. Deze zorgkorting bedraagt dan € 17,- per maand. De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel van de man.
Conclusie
De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 323,- per maand. Nu het verzoek van de vrouw zich beperkt tot een bijdrage van in totaal € 300,- per maand, zal de rechtbank het verzochte bedrag vaststellen.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen:
­ [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats 1] ;
­ [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats 2] ;
van € 150,- per maand, per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 25 februari 2026.