Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6935

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
28 maart 2026
Zaaknummer
C/09/694169 / HA RK 25-663
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet vaststellingsprocedure staatloosheidArtikel 5 Griekse nationaliteitswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling van staatloosheid van verzoeker van Palestijnse afkomst

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek tot vaststelling van staatloosheid van een persoon van Palestijnse afkomst die sinds 2021 in Nederland verblijft. De verzoeker heeft documenten overgelegd die zijn afkomst en verblijf in Syrië en Griekenland bevestigen. De Staat adviseerde het verzoek toe te wijzen.

De rechtbank onderzocht of verzoeker als onderdaan van de Palestijnse Gebieden, Syrië of Griekenland kan worden beschouwd. Nederland erkent de Palestijnse nationaliteit niet, waardoor Palestijnen zonder andere nationaliteit als staatloos worden beschouwd. De Syrische nationaliteitswetgeving en het feit dat verzoeker een Syrisch reisdocument voor Palestijnse vluchtelingen bezit, maken het onwaarschijnlijk dat hij de Syrische nationaliteit heeft. Verzoeker voldeed ook niet aan de vereisten voor naturalisatie in Griekenland.

Op basis van deze feiten stelde de rechtbank vast dat verzoeker staatloos is. De rechtbank wees het verzoek af om de gemeente te gelasten de nationaliteit in de Basisregistratie Personen te wijzigen, omdat een last tot inschrijving niet nodig is. De beschikking werd zonder mondelinge behandeling gegeven en is op 25 februari 2026 uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank stelt de staatloosheid van verzoeker vast en wijst het verzoek tot wijziging van de nationaliteitsregistratie af.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 25-663
Zaaknummer: C/09/694169
Datum beschikking: 25 februari 2026

Vaststelling van staatloosheid

Beschikking op het op 5 november 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker] ,

verzoeker,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Hanna te Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de Staat”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. M. van Kersbergen.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van 30 januari 2026 van de Staat;
- een e-mailbericht van 2 februari 2026 van verzoeker;
- een e-mailbericht van 11 februari 2026 van verzoeker.

Verzoek en het advies van de Staat

Het verzoekschrift strekt tot verklaring voor recht dat verzoeker staatloos is (de rechtbank begrijpt vaststelling van staatloosheid van verzoeker) en de gemeente waar verzoeker woonachtig is te gelasten om de registratie van de nationaliteit van verzoeker in de Basisregistratie Personen te wijzigen van ‘onbekend’ in ‘staatloos’.
De Staat adviseert het verzoek toe te wijzen.
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met wat is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd.

Feiten

De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de Staat vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt.
  • Verzoeker is op 11 oktober 2021 Nederland ingereisd.
  • Verzoeker heeft op 12 oktober 2021 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel.
  • Aan verzoeker is een verblijfsvergunning asiel verleend met ingang van 12 oktober 2021 tot 12 december 2026.
  • De nationaliteit van verzoeker is niet komen vast te staan en daarom (ook in de basisregistratie personen) geregistreerd als ‘onbekend’.
  • Verzoeker is in het bezit van de volgende documenten, welke zijn onderzocht door Bureau Documenten van de IND en echt zijn bevonden:
o een UNRWA familieregistratiekaart, printing date 24-06-2020;
o een individueel uittreksel uit de burgerlijke stand voor Palestijnen (GAPAR), met pasfoto;
o een familie uittreksel uit de burgerlijke stand voor Palestijnen (GAPAR) uit Syrië;
o een Syrisch reisdocument voor Palestijnen/vluchtelingen van de ouders van verzoeker.

Beoordeling

Juridisch kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van Pro de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid).
Op basis van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op basis van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoeker in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoeker onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek.
Relevante landen
De rechtbank ziet aanleiding om de Palestijnse Gebieden, Syrië en Griekenland in haar beoordeling over de staatloosheid van verzoeker te betrekken. Verzoeker stelt van Palestijnse afkomst te zijn, tot 12 december 2019 in Syrië te hebben gewoond en vervolgens tot begin oktober 2021 in Griekenland heeft verbleven.
Wordt verzoeker als onderdaan van Palestijnse gebieden beschouwd?
Gelet op de door verzoeker overgelegde documenten – welke documenten echt zijn bevonden –, kan volgens de rechtbank worden vastgesteld dat verzoeker van Palestijnse afkomst is. Voor zover verzoeker de Palestijnse nationaliteit heeft geldt het volgende.
Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ‘Werkinstructie SUA’ van 11 december 2020 van de IND (nummer en titel: WI 2020/19 Palestijnen, hierna te noemen: de Werkinstructie) volgt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen uit de Palestijnse gebieden daarom als staatloos, tenzij zij nog een andere nationaliteit hebben.
Wordt verzoeker als onderdaan van Syrië beschouwd?
Op grond van de nationaliteitswetgeving van Syrië (decreet 276 uit 1969; bevestiging hiervan is te vinden in het ‘Algemeen Ambtsbericht Syrië’ (mei 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken) kan de Syrische nationaliteit onder andere worden verkregen door afstamming van een Syrische vader. Een moeder kan naar Syrisch nationaliteitsrecht haar nationaliteit alleen doorgeven in het geval het kind is geboren in Syrië en de vader het kind niet heeft erkend. Van deze situaties is in dit geval niet gebleken, zodat het niet aannemelijk is dat verzoekster de Syrische nationaliteit via haar vader of moeder kan hebben verkregen.
Verzoeker beschikt ook over een Syrisch reisdocument voor Palestijnse vluchtelingen van zijn ouders, zodat aannemelijk is dat de Syrische overheid de ouders van verzoeker beschouwt als Palestijn zonder de Syrische nationaliteit.
Uit de Werkinstructie volgt dat Palestijnen in Syrië in principe staatloos zijn en niet kunnen naturaliseren.
Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het niet aannemelijk dat verzoeker beschikt over de nationaliteit van Syrië.
Wordt verzoeker als onderdaan van Griekenland beschouwd?
Verzoeker heeft volgens zijn verklaring van 12 december 2019 tot begin oktober 2021 in Griekenland verbleven. Hij heeft in Griekenland asiel aangevraagd en een verblijfsvergunning verkregen, geldig van 3 augustus 2020 tot 2 augustus 2023.
Artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Griekse nationaliteitswet bepaalt dat de vreemdeling die het Grieks burgerschap wil verkrijgen door naturalisatie gedurende een periode van zeven jaar voor het indienen van het naturalisatieverzoek wettig in Griekenland moet verblijven. Gelet op de periode dat verzoeker in Griekenland heeft verbleven, is aan die voorwaarde niet voldaan. Ook is niet gebleken dat verzoeker valt onder de uitzonderingen die geformuleerd zijn in voornoemd wetsartikel.
Conclusie
De rechtbank stelt, gelet op het voornoemde, de staatloosheid van verzoeker vast.
De rechtbank stuurt, na het onherroepelijk worden van deze beschikking, een afschrift van de beschikking naar de woongemeente van verzoeker. Een last tot inschrijving is niet nodig, zodat het daartoe strekkende verzoek wordt afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
*
stelt vast dat verzoeker staatloos is;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, rechter, bijgestaan door mr. P. Hillebrand als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 februari 2026.