Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:694

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
NL25.63556
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 28 DublinverordeningArt. 5.1b Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel bewaring vreemdeling op grond van Vreemdelingenwet afgewezen

De minister van Asiel en Migratie legde op 28 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De minister hief de bewaring op op 8 januari 2026. De rechtbank behandelde het beroep op 12 januari 2026.

Eiser voerde aan dat de maatregel onrechtmatig was omdat niet duidelijk was of de uiterste overdrachtsdatum rechtsgeldig was verlengd, waardoor de grondslag van de bewaring niet kon worden vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat het besluit tot verlenging van de uiterste overdrachtsdatum niet was bestreden en daarmee rechtsgeldig was, zodat de maatregel van bewaring op een juiste en geldige grondslag berustte.

De rechtbank stelde vast dat de door de minister aangevoerde gronden voor de bewaring feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren en niet waren betwist. Ambtshalve toetsing leidde tot de conclusie dat de maatregel tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet onrechtmatig was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63556
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: S. Faddach).

Procesverloop

Bij besluit van 28 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 8 januari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 12 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

Onrechtmatigheid van de maatregel (grondslag)

2. Eiser voert het volgende aan. Hij is in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw. Om te kunnen oordelen of dit de juiste grondslag is, dient te worden nagegaan of de uiterste overdrachtsdatum (uod) rechtsgeldig is verlengd. Het dossier bevat hiervoor te weinig relevante informatie. Enkel de systeemmeldingen waaruit volgt dat eiser met onbekende bestemming (mob) is vertrokken op 23 maart 2025 en 23 september 2025 zijn aan het dossier toegevoegd. Niet duidelijk is, op welke mob-melding het verlengingsbesluit gebaseerd is. Gemachtigde vraagt aan de minister ter zitting duidelijkheid hierover. Eiser stelt gezien het bovenstaande dat de maatregel van begin af aan onrechtmatig is, omdat niet valt na te gaan of een geldige grondslag is gebruikt voor de inbewaringstelling.
3. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft geen rechtsmiddel ingesteld tegen het besluit tot verlenging van de uod van 17 september 2025 en daarmee staat dit besluit in rechte vast. Daarmee berust de maatregel van bewaring op een juiste en geldige grondslag, namelijk artikel 59a, eerste lid, van de Vw. Dit betekent dat eiser als een vreemdeling op wie de Dublinverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat in bewaring gesteld kan worden met inachtneming van artikel 28 van Pro de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.

Bewaringsgronden

4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van bewaring niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 januari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.