De minister van Asiel en Migratie legde op 28 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De minister hief de bewaring op op 8 januari 2026. De rechtbank behandelde het beroep op 12 januari 2026.
Eiser voerde aan dat de maatregel onrechtmatig was omdat niet duidelijk was of de uiterste overdrachtsdatum rechtsgeldig was verlengd, waardoor de grondslag van de bewaring niet kon worden vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat het besluit tot verlenging van de uiterste overdrachtsdatum niet was bestreden en daarmee rechtsgeldig was, zodat de maatregel van bewaring op een juiste en geldige grondslag berustte.
De rechtbank stelde vast dat de door de minister aangevoerde gronden voor de bewaring feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren en niet waren betwist. Ambtshalve toetsing leidde tot de conclusie dat de maatregel tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet onrechtmatig was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.