ECLI:NL:RBDHA:2026:6945

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
28 maart 2026
Zaaknummer
C/09/668050 / FA RK 24-4318
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • G. van Zeben-de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gezamenlijk gezag en voorlopige omgangsregeling bij zorg- en omgangsgeschil

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vader met betrekking tot het gezag, de hoofdverblijfplaats en de omgangsregeling van zijn minderjarige kind. Na aanhouding in afwachting van een traject Omgangsbegeleiding en een raadsonderzoek, zijn diverse rapporten en formulieren overgelegd en is de zitting voortgezet op 28 januari 2026.

Uit het raadsrapport bleek dat de ouders nauwelijks communiceren en dat gezamenlijk gezag mogelijk veel onrust kan veroorzaken. De omgang tussen vader en kind verliep onder begeleiding van ’t Zorghuisje goed, maar is sinds augustus 2025 stilgevallen door financieringsproblemen. De rechtbank acht het belang van het kind gediend bij het zo spoedig mogelijk hervatten van de omgang en stelt een voorlopige regeling vast waarbij de vader om de week op zaterdag onbegeleid omgang heeft.

De ouders zijn bereid deel te nemen aan een traject Ouderschapsbemiddeling om communicatie en vertrouwen te verbeteren. De rechtbank wijst het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag toe, maar wijst het verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats af, omdat het zwaartepunt van de zorg momenteel bij de moeder ligt en het contact met de vader net wordt hersteld. De beslissing over de definitieve zorg- en omgangsregeling wordt pro forma aangehouden tot 1 september 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot gezamenlijk gezag toe, stelt een voorlopige omgangsregeling vast en wijst het verzoek tot wijziging hoofdverblijfplaats af.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-4318
Zaaknummer: C/09/668050
Datum beschikking: 25 februari 2026
Gezag, hoofdverblijfplaats en omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 14 juni 2024 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.J. Berghout te Den Haag,
voorheen T. Kayha-Ekinci te Rijswijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.B. Chylinksa te Zaandam.

Procedure

Bij beschikking van 10 oktober 2024 van deze rechtbank is iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag, de hoofdverblijfplaats en de omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aangehouden in afwachting van de resultaten van het traject Omgangsbegeleiding en het raadsonderzoek. De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
  • het F9-formulier van 19 december 2024 van de zijde van de vader, met bijlage;
  • het raadsrapport van 27 februari 2025;
  • het F9-formulier van 5 december 2025 van de zijde van de moeder;
  • het F9-formulier van 27 januari 2026 van de zijde van de vader, met bijlagen.
Op 28 januari 2026 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat en vergezeld door een tolk K. Kruk;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat en vergezeld door een tolk M. Zagórska-Bibo;
  • [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Beoordeling

De rechtbank handhaaft alles wat bij de vorige beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen en beslist.
Raadsrapport d.d. 27 februari 2025
Uit het raadsrapport – is kort samengevat – het volgende gebleken. De ouders communiceren niet tot nauwelijks met elkaar. Daarnaast is de moeder erg wantrouwig richting de vader. In het geval de ouders gezamenlijk worden belast met het gezag over [de minderjarige] zal dit naar verwachting van de Raad veel onrust met zich meebrengen en ten koste gaan van de lijn die bij ’t Zorghuisje zal worden uitgezet. De ouders moeten zich in de eerste plaats inzetten voor het verder opbouwen van het contact tussen [de minderjarige] en zijn vader. In afwachting van het traject Omgangsbegeleiding zijn er daarom afspraken gemaakt met de ouders, zodat de omgang tussen de vader en [de minderjarige] alvast opgestart kan worden.
De Raad heeft in haar rapport geadviseerd de beslissingen ten aanzien van het gezag, de hoofdverblijfplaats en de omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan te houden voor de duur van negen maanden, in afwachting van het traject Omgangsbegeleiding. Vervolgens zal de Raad contact opnemen met ’t Zorghuisje om de resultaten te beoordelen en indien mogelijk een vaste zorgregeling te adviseren aan de rechtbank.
Omgang c.q. verdeling van de zorg en opvoedingstaken
De vader wil de omgang zo snel mogelijk hervatten. Hij is van mening dat de omgangsmomenten bij ’t Zorghuisje goed zijn verlopen en dat het contact tussen hem en [de minderjarige] voortaan onbegeleid kan plaatsvinden.
De moeder acht het weliswaar van belang dat de omgang tussen de vader en [de minderjarige] weer wordt opgestart, maar stelt dat dit onder begeleiding van ’t Zorghuisje moet plaatsvinden. Het traject bij ’t Zorghuisje is immers nog niet afgerond. Vanuit die afronding kan vervolgens verder worden gekeken naar hoe de (definitieve) zorg- c.q. omgangsregeling eruit moet komen te zien.
Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken is de rechtbank het volgende duidelijk geworden. De vader heeft enige tijd moeten wachten op de omgangsbegeleiding bij ’t Zorghuisje. Om die tijd te overbruggen zijn er onder begeleiding van de Raad afspraken gemaakt om de omgang tussen de vader en [de minderjarige] alvast op te starten. Zo hebben er een aantal omgangsmomenten plaatsgevonden onder begeleiding van het netwerk van de moeder. Uiteindelijk is het traject Omgangsbegeleiding bij ’t Zorghuisje in april 2025 van start gegaan. Tussen 28 april 2025 en 18 augustus 2025 hebben er verschillende (begeleide) omgangsmomenten plaatsgevonden. Uit de verslaggeving van ’t Zorghuisje blijkt dat de omgang tussen de vader en [de minderjarige] goed verloopt. Er is sprake van een ontspannen sfeer, waarbij [de minderjarige] en de vader voornamelijk met elkaar spelen.
Op dit moment ligt de omgangsbegeleiding bij ’t Zorghuisje echter al langere tijd stil, doordat de financiering is verlopen. Als gevolg hiervan heeft er sinds 18 augustus 2025 geen omgangsbegeleiding meer plaatsgevonden bij ’t Zorghuisje. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet in het belang van [de minderjarige] . De omgang tussen de vader en [de minderjarige] dient dan ook zo snel mogelijk te worden hervat.
’t Zorghuisje heeft de vader per e-mail aangegeven dat zij een nieuwe financiering zullen aanvragen bij Kracht. De rechtbank constateert dat zij geen zicht heeft op wanneer de omgangsbegeleiding bij ’t Zorghuisje weer opgestart kan worden. Ook de Raad heeft hier geen zich op, nu zij – zo begrijpt de rechtbank – (nog) geen contact met ’t Zorghuisje heeft gelegd. Daarom zal de rechtbank een eerste stap zetten om het contact tussen de vader en [de minderjarige] op korte termijn te herstellen, waarna de regie vervolgens (weer) wordt overgenomen door ’t Zorghuisje. Het is niet goed voor [de minderjarige] en voor het contact tussen [de minderjarige] en zijn vader als de omgang nog langer zonder goede reden wordt onderbroken. Het Zorghuisje is al eerder betrokken geweest en heeft daarmee goed zicht op de belangen van [de minderjarige] . De rechtbank zal de volgende
voorlopigezorg- c.q. omgangsregeling vastleggen, totdat de omgangsbegeleiding bij ’t Zorghuisje weer opgestart kan worden: de vader heeft om de week op zaterdag (onbegeleid) omgang met [de minderjarige] van 13:00 uur tot 17:00 uur, waarbij de vader het halen en brengen voor zijn rekening neemt. De rechtbank gaat ervan uit dat als de moeder bezoek zou willen brengen aan de woning van de vader, de vader daaraan zal meewerken.
Omdat de rechtbank in de (tussen)beschikking van 10 oktober 2024 al een doorverwijzing heeft gedaan voor deelname aan het traject Omgangsbegeleiding bij ’t Zorghuisje, acht zij een nieuwe doorverwijzing niet nodig. De rechtbank geeft de (advocaten van de) ouders de opdracht om deze beschikking aan ’t Zorghuisje ter hand te stellen. De rechtbank zal de verdere opbouw van de zorg- c.q. omgangsregeling aan ’t Zorghuisje overlaten, waarbij de rechtbank ’t Zorghuisje meegeeft dat zij op dit moment geen beletsel ziet om de zorg- c.q. omgangsregeling zo snel mogelijk onbegeleid te laten plaatsvinden.
In afwachting van de resultaten van de omgangsbegeleiding en het traject Ouderschapsbemiddeling, waaraan de ouders zullen deelnemen, zoals hierna zal blijken, zal de rechtbank de beslissing ten aanzien van de definitieve zorg- c.q. omgangsregeling pro forma aanhouden voor de duur van zes maanden.
Ouderschapsbemiddeling
Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling om de onderlinge communicatie te verbeteren en om het onderlinge vertrouwen te herstellen. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van voornoemd traject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.
Gezag
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat het gezag over kinderen gezamenlijk door de ouders wordt uitgeoefend. Voor gezamenlijk gezag is echter wel vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over de kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen.
Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken, is de rechtbank het volgende duidelijk geworden. De Raad heeft in haar rapport geadviseerd de beslissing ten aanzien van het gezag aan te houden, in afwachting van de resultaten van het traject Omgangsbegeleiding. Zoals hierboven overwogen hebben er inmiddels een aantal omgangsmomenten plaatsgevonden tussen de vader en [de minderjarige] . Deze omgangsmomenten zijn goed verlopen en zullen op korte termijn weer worden hervat. Daarnaast hebben de ouders weliswaar moeite om met elkaar te communiceren, maar zijn zij beiden bereid om hieraan te werken. Zo heeft de vader op de zitting aangegeven dat hij naar een psycholoog gaat. Het doel hiervan is – zo begrijpt de rechtbank – om het gesprek met de moeder op een volwassen manier aan te leren gaan. Ook zullen de ouders deelnemen aan een traject Ouderschapsbemiddeling, zoals hierboven is gebleken.
De rechtbank heeft geen zodanige problemen tussen de ouders waargenomen op grond waarvan zij hen niet in staat acht het gezamenlijk gezag uit te oefenen. De rechtbank is van oordeel dat de ouders, met het oog op het traject Ouderschapsbemiddeling dat zij zullen volgen, gebaat zijn bij duidelijkheid over het gezag. De rechtbank zal daarom reeds nu een beslissing nemen over het verzoek van de vader om hem met het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] te belasten. De rechtbank wijst dit verzoek toe.
Hoofdverblijfplaats
De rechtbank overweegt als volgt. De ouders hebben enkele maanden moeten wachten voordat de omgangsbegeleiding bij ’t Zorghuisje opgestart kon worden. Vervolgens hebben er een aantal omgangsmomenten plaatsvonden, waarna de omgangsbegeleiding vanwege financieringsproblemen is gestopt. Door deze omstandigheden ligt het zwaartepunt van de dagelijkse zorg voor [de minderjarige] al langere tijd bij de moeder.
Hoewel het nog onzeker is hoe de definitieve zorgregeling eruit zal komen te zien, en daarmee hoe de zorg en opvoeding van [de minderjarige] in de toekomst zal worden verdeeld, is de rechtbank van oordeel dat zowel de ouders als [de minderjarige] gebaat zijn bij duidelijkheid omtrent zijn hoofdverblijfplaats. Omdat het contact tussen de vader en [de minderjarige] nu pas weer opgestart zal worden, ziet de rechtbank geen aanleiding om de hoofdverblijfplaats bij de vader te bepalen. Het verzoek van de vader zal dan ook worden afgewezen. De rechtbank merkt hierbij op dat de moeder geen verzoek heeft gedaan om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar te bepalen, zodat de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] ook niet bij haar zal vaststellen.

Beslissing

De rechtbank – met aanvulling in zoverre van de beschikking van 10 oktober 2024 van deze rechtbank – :
*
bepaalt een
voorlopigezorgregeling, waarbij [de minderjarige] om de week op zaterdag van 13:00 uur tot 17:00 uur bij de vader verblijft. Deze regeling blijft van kracht totdat de omgangsbegeleiding bij ’t Zorghuisje (weer) wordt hervat, waarna de regie ten aanzien van (het uitbreiden van) de zorgregeling bij ’t Zorghuisje komt te liggen en wordt toegewerkt naar een regeling waarbij [de minderjarige] onbegeleid bij de vader zijn;
*
bepaalt dat de vader voortaan samen met de moeder wordt belast met het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] ;
*
stelt vast dat partijen, te weten:
[de vader] , (de vader)
wonende te [adres 1] ,
en
[de moeder] , (de moeder)
wonende te [adres 2] ,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar: Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
en de Raad voor de Kinderbescherming;
bepaalt dat partijen de rechtbank vóór na te melden pro formadatum informeren omtrent het verloop van voornoemd traject;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert omtrent het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders en daarvan;
*
houdt iedere verdere beslissing
ten aanzien van de zorgregelingaan tot
1 september 2026 pro forma;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het verzoek van de vader ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] .
Deze beschikking is gegeven door mr. G. van Zeben-de Vries, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.M. Wijvekate als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 25 februari 2026.