Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:697

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
NL26.18
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 106 VwArt. 5.3 VbArt. 5.1b Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht ongegrond verklaard

Eiseres werd op 29 december 2025 de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiseres stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel werd op 8 januari 2025 opgeheven.

De rechtbank behandelde het beroep op 12 januari 2026 en richtte zich op de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest. Eiseres stelde dat de minister niet had voldaan aan de informatieplicht uit artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit, omdat zij alleen een Engelstalige informatiefolder ontving terwijl zij Amhaars spreekt. De rechtbank oordeelde dat de informatie mondeling in het Amhaars was verstrekt met een tolk en dat eiseres tijdig beroep had ingesteld met rechtsbijstand, waardoor geen belangen zijn geschaad.

Verder betwistte eiseres enkele zware gronden voor de bewaring, maar de rechtbank vond de niet betwiste gronden en lichte gronden voldoende gemotiveerd en feitelijk juist. Ook het standpunt dat een lichter middel had moeten worden toegepast werd verworpen, omdat er een concreet risico op onttrekking aan toezicht bestond en eiseres niet meewerkte aan overdracht en vertrekgesprekken.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. B.A. Palm),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: S. Faddach).

Procesverloop

Bij besluit van 29 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 8 januari 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 12 januari 2026 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

Artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit

2. Eiseres stelt dat de minister heeft gehandeld in strijd met de informatieplicht uit artikel 5.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb). De minister heeft immers nagelaten om haar bij de uitreiking van het bestreden besluit schriftelijk, in een taal die zij begrijpt, op de hoogte te brengen van de gronden van de bewaring, de openstaande rechtsmiddelen en het recht op rechtsbijstand. De minister heeft namelijk een informatiefolder in de Engelse taal aan eiseres uitgereikt. Eiseres beheerst de taal Amhaars en niet de Engelse taal.
3. De rechtbank overweegt als volgt. De minister stelt zich ter zitting op het standpunt dat er geen informatiefolder beschikbaar is in de taal Amhaars en dat hij om die reden een informatiefolder in de Engelse taal aan eiseres heeft uitgereikt. Daarbij is eiseres direct voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring en in het bijzijn van een tolk in de taal Amhaars meegedeeld op welke gronden de maatregel zal worden opgelegd. Dit blijkt uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de maatregel van bewaring. De inhoud van de informatiefolder is dus mondeling in de taal Amhaars aan eiseres kenbaar gemaakt. Ook is haar meegedeeld dat zij recht heeft op rechtsbijstand. Eiseres heeft met rechtsbijstand tegen de maatregel van bewaring tijdig beroep ingesteld en is door de wijze waarop zij over de maatregel van bewaring en haar rechten is geïnformeerd dan ook niet in haar belangen geschaad. De beroepsgrond slaagt niet.

Bewaringsgronden

4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiseres zich aan het toezicht zou onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiseres:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3e. in verband met haar aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over haar identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek;
3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiseres betwist de zware gronden onder 3e, 3k en 3m. De rechtbank is echter van oordeel dat de niet betwiste zware grond onder 3a en de lichte gronden onder 4a, 4c en 4d feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, omdat hieruit een risico op onttrekking aan het toezicht blijkt. De rechtbank laat de door eiseres betwiste gronden om die reden verder onbesproken.
Lichter middel
6. Eiseres stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Er is meteen gegrepen naar de maatregel van bewaring. Eiseres is geen kans gegeven om te laten zien dat een lichter middel effectief zou kunnen zijn.
7. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat er niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit de gronden van de maatregel en de motivering blijkt al dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Verder heeft eiseres herhaaldelijk aangegeven dat zij niet wil meewerken aan een overdracht en is niet verschenen op meerdere vertrekgesprekken, De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
8. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 januari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.