ECLI:NL:RBDHA:2026:6979

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
29 maart 2026
Zaaknummer
C/09/679706 / FA RK 25-834
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • R.S. Matthijssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BWArt. 1:377a BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing gezamenlijk gezag en vaststelling begeleide omgangsregeling voor minderjarige

De vader verzocht de rechtbank om gezamenlijk gezag over zijn minderjarige kind te verkrijgen en een omgangsregeling waarbij het kind regelmatig bij hem verblijft. De moeder voert verweer en stelt dat communicatie tussen de ouders onmogelijk is, wat het gezamenlijk gezag in het belang van het kind belemmert.

De rechtbank constateert dat sinds een incident in november 2024 de omgang tussen vader en kind is stopgezet en dat er momenteel geen communicatie mogelijk is tussen de ouders. Gezien deze omstandigheden en het belang van het kind, wijst de rechtbank het verzoek tot gezamenlijk gezag af.

De rechtbank stelt een begeleide omgangsregeling vast onder regie van een zorginstantie, waarbij de wijze, duur en frequentie van de omgang worden bepaald. De omgang vindt plaats in het belang van het kind, die nog niet klaar is voor onbegeleide omgang vanwege spanningen en angsten.

De kinderrechter heeft het kind gehoord en een brief aan hem gestuurd om de beslissing uit te leggen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het verzoek voor meer of andersluidende voorzieningen wordt afgewezen.

Uitkomst: Verzoek tot gezamenlijk gezag afgewezen en begeleide omgangsregeling vastgesteld onder regie van zorginstantie.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-834
Zaaknummer: C/09/679706
Datum beschikking: 26 februari 2026

Gezag en omgangsregeling c.q. verdeling van zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 24 januari 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader],

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.A. Hoste in Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.J. van Steensel in Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlage, namens de vader;
  • het bericht van 26 januari 2026, met bijlagen, namens de vader;
  • het verweerschrift, met bijlagen, namens de moeder.
Op 29 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
De minderjarige [minderjarige] heeft zijn mening over de verzoeken gegeven in een gesprek met de rechter.

Feiten

  • De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad.
  • Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats].
  • De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast.
  • De vader heeft [minderjarige] erkend.
  • Bij kort geding vonnis van 20 maart 2025 van deze rechtbank is bepaald dat er

Verzoek en verweer

De vader verzoekt:
  • de vader gezamenlijk met de moeder met het gezag over [minderjarige] te belasten;
  • (naar de rechtbank begrijpt) een omgangs- c.q. zorgregeling vast te stellen waarbij:
  • [minderjarige] om het weekend bij de vader zal verblijven vanaf vrijdag na school tot maandag naar school, waarbij de vader [minderjarige] van school zal ophalen en naar school zal brengen;
  • [minderjarige] om de week bij de vader zal verblijven van woensdagmiddag uit school tot donderdag naar school, waarbij de vader [minderjarige] van school zal ophalen en naar school zal brengen;
  • de vakantie- en feestdagen bij helfte tussen partijen wordt gedeeld,
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank het volgende gebleken. Vanaf de beëindiging van de relatie van de ouders is er, tot 2 november 2024, wekelijks omgang geweest tussen de vader en [minderjarige], inclusief overnachtingen. Op 2 november 2024 heeft zich een incident tussen de ouders voorgedaan. Sindsdien is de omgang tussen de vader en [minderjarige] stopgezet. De vader wil graag het contact met [minderjarige] herstellen en heeft daarom zowel deze procedure als een kortgeding procedure gestart. Na het kortgeding vonnis van 20 maart 2025 is er begeleide omgang tussen de vader en [minderjarige] opgestart bij [zorginstantie].
GezagUit artikel 1:253c lid 1 en 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten. Dit verzoek wordt, indien de andere ouder hiermee niet instemt, slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De vader wil door uitoefening van het gezag uiting geven aan zijn verantwoordelijkheid voor [minderjarige] en stelt dat er geen redenen zijn om de ouders niet gezamenlijk met het gezag te belasten, nu de weigeringsgronden van artikel 1:253c lid 2 BW zich niet voordoen.
De moeder verweert zich daartegen en stelt dat communicatie tussen de ouders niet mogelijk is, waardoor [minderjarige] klem of verloren zal raken. Ook stelt de moeder dat afwijzing van het verzoek anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is, omdat gezamenlijk gezag de vader structureel toegang zou geven tot informatie over [minderjarige] en hem een stem zou geven in beslissingen over [minderjarige], wat de veiligheid van de moeder en [minderjarige] zou ondermijnen.
De rechtbank zal het verzoek van de vader om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten afwijzen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Voor het uitoefenen van gezamenlijk gezag is ten minste nodig dat de ouders in staat zijn om met elkaar te communiceren en samen beslissingen te nemen. Gebleken is dat er op dit moment geen communicatie mogelijk is tussen de ouders. Volgens de moeder is er veel tussen de ouders voorgevallen. Bij de moeder is er op dit moment ook geen draagvlak voor overleg met de vader. Het forceren van contact tussen de ouders door middel van gezamenlijk gezag, zoals namens de vader is verzocht, zal naar verwachting van de rechtbank averechts werken. De moeder heeft hulp gezocht bij het verwerken van het verleden. De rechtbank acht het van belang dat de moeder dit hulpverleningstraject af kan ronden, alvorens wordt gewerkt aan herstel van de communicatie en het vertrouwen tussen haar en de vader.
OmgangsregelingAangezien de moeder belast blijft met het eenhoofdig gezag over [minderjarige], zal de rechtbank in het vervolg spreken over een omgangsregeling.
Op grond van artikel 1:377a lid 1 BW heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Lid 3 van dit artikel bepaalt (voor zover hier van belang) dat omgang slechts wordt ontzegd indien omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang of omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Beide ouders zijn het erover eens dat de begeleide omgang tussen de vader en [minderjarige] bij [zorginstantie] goed gaat. Zij vinden ook beiden dat deze begeleide omgang op dit moment in het belang van [minderjarige] is, gelet op zijn weerstand tegen onbegeleide omgang. Op de zitting hebben beide ouders aangegeven open te staan voor uitbreiding van de omgang bij [zorginstantie]. De rechtbank zal daarom een begeleide omgangsregeling vaststellen tussen de vader en [minderjarige] onder regie van [zorginstantie], waarbij [zorginstantie] de wijze, de duur en de frequentie van de omgang bepaalt en ook de regie voor de uitbreiding van de omgang bij [zorginstantie] ligt.
De vader wil dat er toegewerkt wordt naar onbegeleide omgang, de moeder acht dat niet in het belang van [minderjarige].
De rechtbank overweegt als volgt. Er zijn nog veel zorgen om [minderjarige] en zijn kindeigen problematiek. Hij ervaart spanningen en angsten, onder meer rondom (omgang met) de vader en dit heeft zijn weerslag op [minderjarige]’s draagkracht voor omgang met de vader. De rechtbank kan onder deze omstandigheden niet vooruitlopen op wanneer [minderjarige] klaar is voor onbegeleide omgang en/of volgende stappen in de omgang. De rechtbank acht de kans op herstel van het vertrouwen van [minderjarige] in zijn vader het grootst als er ruimte is voor onbelast contact tijdens de begeleide omgangsmomenten, zonder dat [minderjarige] daarbij de druk voelt van het naderende moment dat hij onbegeleid contact met zijn vader moet hebben. De rechtbank zal daarom een eindbeschikking wijzen en niet vooruitlopen op hoe de omgang zich op middellange termijn ontwikkelt.
De rechtbank merkt hierbij op dat nu de begeleide omgang tussen [minderjarige] en zijn vader goed loopt, voorzienbaar is dat met het verstrijken van de tijd begeleide omgang voor [minderjarige] niet meer passend is. Het ligt op de weg van de moeder om actief na te denken over hoe de omgang met de vader dan vorm moet krijgen. Eindeloze begeleide omgang is uiteraard geen optie.
Kindbrief
De kinderrechter heeft tijdens het kindgesprek met [minderjarige] afgesproken om hem een brief te sturen om de beslissing van de rechtbank aan hem uit te leggen. Hieronder volgt de tekst van die brief, zodat beide ouders weten welke boodschap [minderjarige] heeft ontvangen.
Beste [minderjarige],
Op 28 januari 2026 was je bij de rechtbank. Je hebt mij toen heel veel verteld. Je vertelde mij dat je wat nare dingen hebt meegemaakt en dat je papa een tijd lang niet hebt gezien.
Gelukkig vertelde je ook over dingen die goed gaan in je leven. Je vertelde me dat je het fijn hebt bij mama thuis. Ook vertelde je dat je het heel leuk vindt om papa te zien in [zorginstantie], maar er moet wel een volwassene bij zijn.
Ik heb later ook met je ouders gepraat. Je vader begrijpt dat je hem voorlopig alleen met een volwassene erbij wilt zien. Hij vindt dat wel jammer. Maar je vader vindt het vooral belangrijk dat jij het fijn vindt om hem te zien. Daarom vindt hij het goed als jullie elkaar zien in [zorginstantie].
Ik vind het nu vooral belangrijk dat je het fijn hebt als je papa ziet en dat je hem regelmatig ziet. Daarom heb ik besloten dat jullie elkaar blijven zien bij [zorginstantie].
Ik hoop dat ik hiermee duidelijk heb uitgelegd wat mijn beslissing is. Je ouders krijgen van mij een officiële brief (dat heet een beschikking), waarin precies staat wat ik heb beslist. Daarin staat ook wat ik jou in deze brief heb verteld.
Ik hoop dat je mijn beslissing begrijpt en ik wens je een goede toekomst.
Met vriendelijke groet,
De kinderrechter

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt dat de omgang tussen de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats], en de vader begeleid zal plaatsvinden onder regie van [zorginstantie], waarbij [zorginstantie] de wijze, de duur en de frequentie van de omgang bepaalt en ook de regie voor de uitbreiding van de omgang bij [zorginstantie] ligt;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, kinderrechter, bijgestaan door
mr. C.A.E. de Koning als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 26 februari 2026.